dinsdag 25 september 2018

Nieuw boek 'Eigendomsstrijd – De geschiedenis van slavernij en emancipatie in Suriname'

Frimangron en de fundamenten van de vrije Surinaamse gemeenschap 


Bij uitgeverij Ambo|Anthos verschijnt vandaag, dinsdag 25 september 2018, het boek 'Eigendomsstrijd' van historicus Karwan Fatah-Black over de geschiedenis van slavernij en emancipatie in Suriname. 

In de straten, huizen en erfjes van Paramaribo was de controle van de slavenhouder moeilijk vol te houden. Daar begon een vrije groep de fundamenten van een eigen gemeenschap te leggen. Terwijl de slavenhouders streden voor de controle over hun eigendom, zochten in de stad en aan de waterkant de slaven hun wegen naar vrijheid. Op Historiek vandaag, dinsdag 25 september 2018, een fragment uit de inleiding van het boek over een stukje land dat bestemd was voor vrijgemaakte slaven: Frimangron.

'Omdat eigenlijk niemand er wilde wonen bleef het stukje land tussen de stad en de eerste plantages lange tijd ongebruikt. Tussen de Drambrandersgracht en het slootje met de toepasselijke naam Limesgracht lag een weiland waar weinig mee gebeurde. Het heette in de volksmond Koeiknie, net als de velden aan de westkant van de stad. Het was er zo drassig dat de koeien er tot hun knieën in de modder wegzakten. Later zou het de naam Frimangron krijgen, vrij vertaald ‘land van de vrije mensen’. 

De achttiende-eeuwse kaartenmakers waren het er niet over eens of het wijkje Frimangron eigenlijk wel bij de stad hoorde. Soms werd de Pontenwerfstraat die dwars door de wijk liep wel ingetekend, keurig met afgemeten percelen, maar even vaak viel het buiten het rood gearceerde deel waarmee op de kaarten het verstedelijkte gebied werd aangegeven. Toch woonden er mensen. De bewoners waren een bijzondere groep die eigenlijk geen plek hadden in een samenleving die werd bepaald door slavernij en opgezet was voor de export van plantageproducten. 

Het Suriname van het midden van de achttiende eeuw was verdeeld tussen vijftigduizend zwarte slaven en tweeduizend witte eigenaren. De inwoners van de Pontenwerfstraat en de rest van Frimangron waren vaak slaven geweest, maar tijdens hun leven vrij geworden. In een samenleving die draaide op het werk van slaafgemaakte Afrikanen en werd voortgedreven door een witte elite stonden mensen van Afrikaanse afkomst die geen slaven waren buiten de orde. Ze waren vaak arm maar vrij. In stilte verrees er in de marges van de stad en de samenleving een vrije gemeenschap van voormalige slaven en hun nakomelingen. Lang bleef hun bestaan onopgemerkt, maar terwijl meester en slaaf op de plantages een strijd op leven en dood voerden stapten de vrije Afro-Surinamers in de negentiende eeuw uit de coulissen van de geschiedenis. 

Door de druppelsgewijze vrijlating van enkele slaven bleef de omvang van de vrije groep in Suriname lange tijd beperkt. Het slavernijsysteem van Suriname was hard en de kans op vrijlating was klein. Na honderd jaar slavernij bestond de vrije niet-witte bevolking in Suriname in de jaren 1760 uit niet meer dan driehonderd mensen. Deze ontwikkeling kwam echter ongemerkt in een stroomversnelling. 

Weer honderd jaar later, bij de afschaffing van de slavernij in 1863, bestond de vrije niet-witte bevolking uit 15.000 mensen. Er werden dat jaar bij de algehele afschaffing van de slavernij 34.000 mensen vrijgelaten. Terwijl in de negentiende eeuw het aantal slaafgemaakten verder bleef afnemen groeide de vrije niet-witte gemeenschap gestaag verder. Vrijlating voorafgaand aan de afschaffing had, in de woorden van historica Ellen Neslo, het slavernijsysteem al voor 1863 uitgehold. 

Door onderlinge samenwerking bewerkstelligde deze ontluikende gemeenschap de vrijlating van vele van hun lotgenoten. De meeste vrijen zouden in de stadswijken E en F (Frimangron) komen te wonen, waar ze een eigen gemeenschap vormden. Op initiatief van gouverneur Jan Nepveu werd eerst in 1769 wijk E aangelegd en kwam daar in 1772 wijk F bij.


De nieuwe wijken waren voor de gemanumitteerden een vrijmansland waar ze hun eigen leven konden opbouwen en voor een opgeruimde bestuurder als Nepveu een mooie oplossing om de vrijen beheersbaar en buiten het stadscentrum te houden. Meer nog dan wijk E lag Frimangron echt buiten het centrum en werd het wijkje bijna uitsluitend bewoond door vrijgemaakten en hun nakomelingen. De lege ruimte tussen stad en plantage was voor Nepveu een ideale plek om de mensen kwijt te kunnen met wie hij zich eigenlijk geen raad wist. Nepveu was een kind van de Verlichting. Hij wilde als gouverneur graag rechte lijnen trekken, overzichtelijke plannen maken en buitengrenzen afbakenen. Binnenshuis maakte hij alles op orde, daarbuiten heerste chaos en duisternis. Een moeilijk definieerbare groep – ze waren wel zwart maar geen slaven – kreeg van Nepveu dezelfde bestemming als de rommelige scheepswerf waar kleine vaartuigen werden gemaakt en gerepareerd: buiten de stad op ongebruikte grond. 

Vanwege het lawaaierige getimmer en het teren en branden van de rompen van schepen en bootjes was de pontenwerf in de achttiende eeuw naar het stukje grond buiten de stad verplaatst. Er liep al wel een weggetje door het modderige weiland van de werf landinwaarts naar de ‘landsgrond’. Die landsgrond was een plantage waar het koloniale bestuur wat voedsel liet verbouwen, maar over het weggetje ernaartoe zal zelden iemand hebben gelopen, zeker niet in de regentijd. Komend vanaf de werf was er in de droge tijd maar weinig bescherming tegen de brandende zon. In de regentijd veranderde het stof in modder. 

Een oude kaart noemt het stuk langs de rivier geen Koeiknie, maar ‘verdronken land’. Wie na 1772 een stukje land kreeg in de Pontenwerfstraat bouwde er een huisje en plantte er schaduwrijke bomen. Niemand bekommerde zich om wat er op die grondjes gebeurde. Doorgaand verkeer hoefde niet in de straat te zijn. Wie vanuit de stad naar de pontenwerf ging liep langs de rivier en door de Saramaccastraat – de verbindingsstraat tussen het stadshart en de vrije gemeenschap. (...)'

Geen opmerkingen:

Een reactie posten