Posts tonen met het label NIMOS. Alle posts tonen
Posts tonen met het label NIMOS. Alle posts tonen

dinsdag 23 april 2013

Nauwelijks beleid om gevolgen klimaatverandering te bestrijden en te voorkomen

Slechts projecten om mangrove in kuststrook te herstellen

‘Bescherm de mangrovebossen, dan zullen de mangrovebossen ons beschermen’

‘Beleid’ vooralsnog beperkt tot workshops en ontwikkelen ‘klimaatmodellen’

23-04-2013 Door: Paul Kraaijer


Paramaribo - Het gemeentebestuur van Cartagena de Indias, een bestemming voor vele toeristen, aan de Caribische kust van Colombia, is haar stranden aan het verbreden ter bescherming tegen de steeds sterker wordende gevolgen van klimaatverandering, zeespiegelstijging.

Het is slechts een klein voorbeeld van wat noordelijke landen van het Zuid Amerikaanse continent doen om zich tegen de gevolgen van het veranderende klimaat te beschermen. Sinds 2006 heeft Venezuela projecten in werking in het kader van klimaatverandering. Zo is er ‘Energie Revolutie’-programma om efficiënter om te gaan met stroomverbruik en het ‘Mission Tree’-programma (Misión Árbol), dat miljoenen bomen heeft gepland in een poging erosie tegen te gaan en om koolstof op te slaan. Daarnaast bestaat 70 procent van de energievoorziening in het land uit duurzame energie, zoals hydro-elektriciteit.
In Guyana wordt door het ‘Mangrove Action Committee’ het ‘Mangrove Restoration Project’ uitgevoerd om erosie van het kustgebied door zeespiegelstijging tegen te gaan. De regering van het land heeft fors in het project geïnvesteerd.

 

Suriname in wereld top tien meest kwetsbare landen met lage kustvlakte die door zeespiegelstijging bedreigd wordt 
Maar, wat doet Suriname? Suriname wordt in statistieken van het Ontwikkelings Programma van de Verenigde Naties (UNDO, United Nations Development Programme) vermeld in de top tien van meest kwetsbare landen met een lage kustvlakte, die deze eeuw bedreigd worden door zeespiegelstijging ten gevolge van klimaatverandering. De zeespiegelstijging voor de Surinaamse kust veroorzaakt al zoutwaterindringing, verzilting, erosie en een verminderende biodiversiteit.

De landbouwsector in Suriname loopt ernstig gevaar bij klimaatverandering. Dat is één van de niet zo verrassende aandachtspunten tijdens een regionale trainingsworkshop met als thema ‘De kwetsbaarheid van enkele sectoren wanneer het klimaat zal veranderen’, die deze week wordt gehouden door het ministerie van Arbeid, Technologische ontwikkeling en Milieu (ATM) in samenwerking met het Caribbean Community Climate Change Centre (CCCCC). De zogenoemde ‘Vulnerability and Capacity Assessment’ (VCA) training is onderdeel van een groter regionaal project, waar de Europese Unie voor acht miljoen euro aan bijdraagt. Suriname neemt deel aan vrijwel alle onderdelen van het project, met onder andere als resultaat dat technici van de Anton de Kom Universiteit worden getraind in het gebruik van klimaatmodellen. Suriname zal bovendien spoedig de beschikking krijgen over zeven moderne weerstations, waarmee de weersvoorspellingen nog nauwkeuriger kunnen worden gedaan, zo bericht De West maandagavond 22 april 2013.

CCCCC Programme Manager Joseph McGann verklaart dat er meerdere redenen zijn om de training te geven. ‘Wij willen graag klimaatmodellen opstellen om mee te werken in de regio. Met deze klimaatmodellen kunnen we beter huidige risico’s in kaart brengen om zodoende grote problemen te voorkómen.’

‘We zijn ons bewust van de kwetsbaarheid van onze landbouwsector’, aldus directeur Milieu Henna Uiterloo van het ministerie van ATM. Volgens Uiterloo gaat de economie dan ook niet voor alles. ‘De economische ontwikkeling is belangrijk in ons land, maar we moeten deze ontwikkeling wel op een duurzame manier bereiken. Landbouw is een kwetsbare en lastige sector, het is belangrijk het klimaat in ogenschouw te nemen bij het nemen van belangrijke beslissingen. Als de zeespiegel stijgt, verzilt er landbouwgrond waardoor de grond niet meer bruikbaar is. We moeten dus kijken of we landbouwgrond, waarbij verzilting een reëel risico is, kunnen verplaatsen. We zijn nog niet toe aan aanpassingen. Onderzoek wijst uit wat de risico’s precies zijn. We hebben nu veel behoefte aan workshops, waarin onze deskundigen technieken leren om de landbouwsector te beschermen.’

Het is de zoveelste workshop. Uitvoerend beleid blijft nog steeds grotendeels achterwege. Natuurlijk is landbouw belangrijk, maar de mens en de biodiversiteit worden ook bedreigd in de kuststrook bij een stijging van de zeespiegel..... Wat vindt de regering belangrijker: het veiligstellen van de landbouwsector of de bescherming van de bevolking?

Herstel mangrovebossen kuststrook
Een enkel project om de kuststrook te beschermen wordt uitgevoerd, zoals het herstel van mangrovebossen in van Coronie. Bij dat project is onder andere betrokken de bekende hydroloog Sieuwnath Naipal, werkzaam aan de Anton de Kom Universiteit. Volgens hem is de invloed van zeespiegelstijging nu reeds zichtbaar. ‘Met de jaren zal dit steeds duidelijker worden. Zeespiegelstijging is niet een proces van jaren alleen, maar van eeuwen. Het zal ons niet met rust laten.’

Het toenmalige ministerie van Planning en Ontwikkelingssamenwerking (PLOS) en de Anton de Kom Universiteit van Suriname waren er een paar jaar geleden van overtuigd om mangroven te planten ter bescherming van de kust tegen het stijgende zeewater. Het ministerie van PLOS financierde de eerste fase van een speciaal mangrove rehabilitatie project dat startte in januari 2010 en dat drie jaren zou duren, waarvan de universiteit de drager is. Bij het project is ook betrokken het ‘Hydraulics’ Laboratorium van de Katholieke Universiteit Leuven (België).

Gekozen werd voor de locaties Weg naar Zee (Wanica) en Moy (Coronie).Een tweede fase wordt voor een bedrag van 260.000 Amerikaanse dollar gefinancierd door de de Suriname Conservation Foundation (SCF). Het SCF zou gekloonde mangrove planten aanschaffen bovenop 228.000 planten die door het PLOS werden gefinancierd.
Er werden echter, aldus het Jaarverslag 2010 van het SCF, slechts 7.000 planten geleverd.
Over de wijze van financiering wil Naipal geen uitspraken doen: ‘Financiering is een complexe situatie. Er zijn verschillende afspraken gemaakt, omdat er ook verschillende partijen hierbij betrokken zijn en waren’.

Hij legt uit wat de verhoogde zeespiegelstijging voor gevolgen heeft voor de Surinaamse kuststrook: ‘Een van de gevolgen van de verhoogde zeespiegelstijging is kustafslag als gevolg van hoge golven. Golven worden afgebroken door de aanwezigheid van modderbanken en de mangrovevegetatie, maar op de eerste plaats door de aanwezigheid van de modderbanken. Op locaties waar geen modderbanken voorkomen hebben wij met erosie te maken. Een hogere mate van erosie komt daar voor waar de waterdiepte groot is, omdat de golven niet of nauwelijks afgebroken worden. De verwachting is dat dit wel het geval zal kunnen zijn bij een toenemende waterhoogte van de zee.’

Mangrove aanplant te Coronie (Bron foto: S. Naipal)
Opmerkelijk is, dat Sieuw Naipal mangrove niet ziet als een soort ‘wonderboom’ die de kustlijn onder alle omstandigheden kan beschermen.
‘De aanwezigheid van mangrovebossen zorgen er inderdaad voor, dat energie van de golven die de kustlijn naderen, afgebroken wordt. Een golf die de kustlijn aandoet verliest zijn energie als het op de branding neerslaat en dus de kustlijn doet eroderen. Dat gebeurt niet wanneer een strook mangrovebossen voor de kust staat. Mangrove bossen moeten niet gezien worden als een ‘wonderboom’, die de kustlijn onder alle omstandigheden beschermt. Ook de mangrovebossen moeten beschermd worden. Enkele mangrovebomen aan de kustlijn zal geen soelaas bieden. Bescherm de mangrovebossen dan zullen de mangrovebossen ons beschermen.’

‘Wat wij proberen te doen is de natuur een handje helpen, de bossen proberen te beschermen. Dit kan gedaan worden, onder andere, door mangrove te planten en zo de weerbaarheid van de mangrovebossen te vergroten, zodat er geen netto verlies optreedt als de volgende golf van erosie zich voordoet. Een bepaalde orde van grootte mangrovestrook voor de kust is het beste middel tegen erosie. We praten dan van een groene dijk.’

Maar, de dreiging van een stijgende zeespiegel door klimaatverandering blijkt vooralsnog niet op het beleidsprioriteitenlijstje te staan van de regering Bouterse-Ameerali. Het mangrove project is een van de weinige projecten, zo niet het enige, om de zeespiegelstijging aan te pakken in het Surinaamse kustgebied dat uit de koker van de overheid is gekomen.

NIMOS waarschuwde in 2007 al voor risico’s klimaatverandering
Al in mei 2007 waarschuwde het Nationaal Instituut voor Milieu en Ontwikkeling in Suriname (NIMOS), bij monde van Nancy del Prado, projectcoördinator Klimaatverandering, voor een miljardenramp door klimaatverandering. Uitgerekend was, dat in 2030 van de Surinaamse bevolking 82 procent geëvacueerd zou moeten worden, omdat het kustgebied van Suriname tegen die tijd zal onderlopen. Ruim 3.800 vierkante kilometer land verdwijnt dan mogelijk in zee en de economische schade daardoor werd in mei 2007 geschat op meer dan 30 miljard Amerikaanse dollar. Dit bij een zeespiegelstijging van een meter, aldus een rapport over klimaatverandering aan de regering zou worden overhandigd.
‘De regering moet leren plannen en het kustgebied beschermen. Door gebrek aan ruimtelijke ordening staat de kustvlakte nu onder druk. Daar bevinden zich namelijk de grootste bevolkingsconcentratie en economische activiteiten’, aldus Del Prado half mei 2007. ”
‘Voor ontwikkelingslanden als Suriname zijn de effecten van klimaatverandering dramatisch, omdat onze economie erg kwetsbaar is’, zo stelde Del Prado. ‘Drastische maatregelen op zeer korte termijn zijn daarom gewenst.’
Zij liet destijds al weten dat er dijken, dammen en golfbrekers aangelegd moesten worden en mangrovebossen beschermd. De noodkreet vanuit het NIMOS bleek aan dovemansoren gericht te zijn geweest, maar werd begin december 2010 bevestigd door een studie van CARICOM en de UNDP, ‘Modelling the Transformational Impacts and Costs of Sea Level Rise in the Caribbean’, waarin een aantal scenario’s is opgenomen waaruit blijkt, dat laaggelegen landen als Suriname, Belize en Guyana enorm veel landverlies ‘in de komende tachtig jaar bij een zeespiegelstijging van een meter’ zullen lijden. Suriname zou bij een meter zeespiegelstijging zeker honderd meter land verliezen door erosie. Volgens de studie zullen onder andere landbouwgebieden en toeristische trekpleisters als stranden en hotels verdwijnen en dat gaat lijden tot een miljardenverlies voor de landen.

In het rapport staan ook aanbevelingen voor de regeringen in de regio. Het Surinaamse kustgebied is door klimaatverandering met name kwetsbaar voor overstromingen als gevolg van stormen, onderwater lopen van land door de zeespiegelstijging, verzilting van zoetwaterbronnen door verschuiving van de zoutwatergrens en erosie die gepaard gaat met het verlies van mangrovebossen.

Het duurde echter tot oktober 2012 voordat er iets van actie vanuit regeringszijde werd ondernomen. Een intentieverklaring met Oostenrijk werd getekend ter financiering van herstel van de mangrovebossen aan de kust. Met Oostenrijk zou ook samengewerkt gaan worden om de gevolgen van klimaatverandering te bestuderen. Hiertoe werd een werkplan opgesteld door het Caribbean Community Climate Change Center  dat voor commentaar naar het ministerie van Arbeid, Technologische ontwikkeling en Milieu werd gezonden om van commentaar te voorzien.

Nauwelijks investeringen in milieu en bescherming kustgebied
Eind 2012 bleek echter tijdens de behandeling van de begroting voor 2013 dat nauwelijks wordt geïnvesteerd in het milieu en in bescherming van het Surinaamse kustgebied. Het Assembleelid Harish Monorath van Nieuw Suriname was het enige parlementslid dat medio december in het parlement hiervoor aandacht vroeg. Hij stelde onder andere dat er niets terecht zal komen van het strategisch plan voor klimaatverandering, wanneer daarvoor dit jaar slechts een bedrag van 50.000 Surinaamse dollar wordt uitgetrokken.

Risicogebieden in kaart gebracht
Ruim een maand later, 22 januari 2013, werd bekend dat het Nationaal Coördinatie Centrum voor Rampenbeheersing (NCCR) gebieden die risico lopen bij klimaatverandering, in kaart gaat brengen. Beter laat dan nooit, moet het NCCR gedacht hebben. Jerry Slijngard, hoofd van het NCCR, zei dat zijn organisatie voorbereid moet zijn op veranderende natuuromstandigheden. Een understatement. Het land moet voorbereid zijn op die veranderende natuuromstandigheden. ‘Het is bekend, dat het hele kustgebied van Suriname bij zeespiegelstijging in gevaar komt. Het moet niet worden uitgesloten dat de omvang en gevolgen van onder andere rivieroverstromingen zullen toenemen’, zo liet Slijngard weten. Het NCCR gaat, met financiële steun van de overheid en de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank, risicogebieden in kaart brengen en op zogenoemde ‘cruciale plekken’ worden waterstandsmeters geplaatst.

Naipal laat echter in een reactie weten dat die risicogebieden al ‘relatief goed in kaart’ zijn gebracht. ‘Zie hiervoor de ‘First National Communication'. Het is een verslag dat Suriname moet doen naar de UNFCCC toe (United Nations Framework Convention on Climate Change) en is te downloaden van de website. De hele kust van Suriname is in dit boekwerk als kwetsbaar genoemd’, aldus de hydroloog.

Klimaatverandering waardoor?
De temperatuur op aarde is voor een belangrijk deel afhankelijk van de aanwezigheid van broeikasgassen, zoals waterdamp, kooldioxide en methaan, in de atmosfeer. Deze stoffen houden de warmtestraling van de aarde gedeeltelijk vast, de zogenoemde broeikaswerking. Zonder het broeikaseffect zou de temperatuur op aarde gemiddeld negatief 18 graden Celsius zijn. De gasvormige laag, waarmee de aarde wordt omringd, wordt de atmosfeer of de dampkring genoemd. De atmosfeer is 700 kilometer dik en bestaat uit verschillende lagen. 
Voor de aarde zijn van belang de Troposfeer en de Stratosfeer. De atmosfeer bestaat uit verschillende gassen: het grootste gedeelte bestaat uit stikstof (78,2 %) en zuurstof (20,9%). Voor de overige 0,9% bestaat de atmosfeer uit onder andere argon, kooldioxide, neon, helium, methaan, waterstof en ozon. De belangrijkste broeikasgassen zijn waterdamp, koolstofdioxide , methaan, stikstofmonoxide of lachgas en ozon. De zon verwarmt de aarde en een deel van de zonnestralen warmt de aardbodem en de zeeën en oceanen op. Een ander deel wordt teruggekaatst in de dampkring of atmosfeer. Hier bevinden zich de broeikasgassen die als het ware een warme deken om de aarde leggen. Ze zorgen ervoor dat de warmte uit de teruggekaatste zonnestralen wordt vastgehouden. De opwarmende werking van deze deken wordt het natuurlijke broeikaseffect genoemd. Menselijke activiteiten, zoals de uitstoot van broeikasgassen en ontbossing, zijn in belangrijke mate de oorzaak van de warmer wordende wereld. 
Van de broeikasgassen draagt CO2 voor meer dan 60 % bij aan de menselijke beïnvloeding van het klimaat. CO2 komt vrij bij de verbranding van fossiele brandstoffen zoals olie, kolen en gas en bij ontbossing. Dit versterkte broeikaseffect kan een wereldwijde klimaatverandering tot gevolg hebben. 
Wetenschappers voorspellen een temperatuurstijging op aarde aan het eind van de 21ste eeuw met 1,4 tot 5,8 graden Celsius. In de 20ste eeuw is de wereldgemiddelde temperatuur met 0,6 graden toegenomen; een opwarming die zich waarschijnlijk de laatste duizend jaar niet heeft voorgedaan. 
De Verenigde Naties verwachten dat klimaatverandering gedurende de 21ste eeuw zou kunnen zorgen voor grote overstromingen (door de zeespiegelstijging als gevolg van de stijging van de temperatuur waardoor kuststreken en laaggelegen landen zullen overstromen), extreme weersomstandigheden, droogte en ongeschiktheid van de landbouwgrond (door de temperatuurstijging vindt er meer verdamping plaats met als gevolg meer neerslag; dit zorgt voor meer afstroming, de regen neemt dan meer voedingsstoffen uit de bodem, waardoor de bodem minder vruchtbaar wordt). Bestaande ecosystemen als koraalriffen, mangrovemoerassen en lagunes zullen verdwijnen.

En ja, ook voor Suriname heeft klimaatverandering gevolgen.....en langzaamaan begint de regering dat ook in te zien en te begrijpen.

zondag 21 april 2013

Aanpak transport en opslag gevaarlijk (chemisch) afval verloopt stroperig

Suriname worstelt al vele, vele jaren met afval

Nog steeds geen Afvalstoffen- en Milieuwet

Werkgroepen en plannen leiden niet tot concreet effectief beleid

21-04-2013 Door: Paul Kraaijer


Paramaribo – De directeur van het zogenoemde directoraat Milieu van het ministerie van Arbeid, Technologische ontwikkeling en Milieu (ATM), Henna Uiterloo, heeft op 1 maart 2013 een werkgroep ‘Beheer van het grensoverschrijdend transport van gevaarlijk afval’ ingesteld. De werkgroep bestaat uit vertegenwoordigers van het directoraat Milieu en van het Nationaal Instituut voor Milieu en Ontwikkeling in Suriname (NIMOS).

De voornaamste taak is het directoraat en ATM adviseren en assisteren bij het uitstippelen van beleid op het gebied van het transport van gevaarlijk afval over landsgrenzen.

Gebleken is, aldus het ministerie, dat de opslag, het transport en de manier van omgaan met chemicaliën en gevaarlijk afval in Suriname nog niet helemaal op verantwoorde wijze gebeurt. Suriname bezit ook nog geen adequate faciliteiten om vervallen chemicaliën en gevaarlijk afval op milieuvriendelijke wijze op te slaan en te verwerken. Om deze zaken effectief aan te kunnen pakken zal de regering haar beleid richten op het terugdringen van de hoeveelheid afval die geproduceerd wordt, zo liet ATM begin maart van dit jaar weten.

Ook zal het grensoverschrijdend transport en het gebruik van chemicaliën en gevaarlijk afval constant gemonitord worden. Bovendien zullen nationale maatregelen geformuleerd worden voor het verantwoord opslaan van chemicaliën en gevaarlijk afval en het transport daarvan.

Milieuwetgeving laat al jaren op zich wachten
Een werkgroep moet nu dus de aanzet zijn voor de aanpak van opslag en transport van chemicaliën en gevaarlijk afval in Suriname. Beter laat dan nooit zullen we maar zegen, maar wetgeving laat al jaren op zich wachten.

Feitelijk werd de aanzet al gegeven in augustus vorig jaar, toen het directoraat Milieu van het ministerie van ATM met een eigen persbericht op 24 augustus 2012 ‘Verantwoord chemicaliënbeheer in Suriname’ aandacht besteedde aan chemicaliën in het land'. De regering liet via haar persbericht weten, dat zij met het prioject ‘Suriname/UNDP/UNEP partnership initiative for the integration of Sound Management of Chemicals into development planning and processes: Quick Start Programme (het SAICM/QSP-project)’ het initiatief had genomen om te komen tot een verantwoord chemicaliënbeheer in Suriname. Suriname ontving hiervoor 250.000 Amerikaanse dollar. ‘Het SAICM/QSP-project heeft tot doel het versterken van de nationale capaciteit om verantwoord chemicaliënbeheer te doen integreren in economische planning en besluitvormingsprocessen. De duur van dit project is gesteld op 16 maanden en is van start gegaan op 24 november 2011.’

 

De implementatie van het SAICM/QSP-project zou door het ministerie van Arbeid, Technologische ontwikkeling en Milieu worden gecoördineerd.
‘Het beleid omtrent chemicaliën, welke onderdeel is van het milieubeleid van het Ministerie van ATM, is gericht op het continu monitoren van de import van chemicaliën, alsook het duurzaam gebruiken en beheren van chemicaliën in Suriname middels het opzetten van een gedegen database, het aangaan en onderhouden van een sterke samenwerking met instanties die direct betrokken zijn bij chemicaliënbeheer en het continu geven van voorlichting’, zo is te lezen in het bericht van de afdeling Milieu van het ministerie van ATM van 24 augustus vorig jaar.

Met de mededeling van ATM in augustus 2012 leek het ministerie een eerste stap te zetten in de uitvoering van het regeringsbeleid. In het in februari 2012 door de regering gepresenteerde ‘Ontwikkelingsplan 2012 – 2016 – Suriname in Transformatie’ is een apart hoofdstuk ‘6.3.2. Chemicaliënbeheer’ opgenomen. Daarin stelt de regering onder andere:  
‘Gebleken is dat de import, het gebruik, de opslag, de distributie en het transport van chemicaliën in Suriname veelal op onverantwoorde wijze plaatsvinden. Ook bevinden zich op verschillende locaties in Suriname voorraden van gevaarlijk chemisch afval die jarenlang onverantwoord zijn opgeslagen en waarvoor er nog geen geschikte verwijderingsmethoden (onder andere verwerking en export) bestaan. Door de grote verscheiden heid aan problemen met betrekking tot het chemicaliënbeheer worden de negatieve gevolgen nog moeilijker te overzien, waardoor het milieu en de gezondheid van de mens nog meer in gevaar komen.’

Verder maakte de regering Bouterse-Ameerali in haar document bekend dat haar beleid zich in de periode 2012-2016 zal richten op ‘het continu monitoren van de import en het gebruik van chemicaliën, het formuleren van nationale maatregelen zodat opslag, gebruik en eventueel transport (voor verwerking naar het buitenland) van reeds geïdentificeerde gevaarlijke chemicaliën, zoals POP’s (Persistent Organic Pollutants), op een verantwoorde wijze geschieden.’

Maar wat hebben de regering, het ministerie van ATM en het NIMOS tot vandaag de dag, 21 april 2013, gedaan op het terrein van chemicaliën en gevaarlijk afval?

‘Triest gesteld met chemisch afval in Suriname’
ATM-beleidsmedewerkster Anuradhada Khoen Khoen liet op 7 maart 2011 via Starnieuws weten dat het triest is gesteld met chemisch afval in Suriname. Het ministerie van ATM) had toen ‘vergevorderde stappen gezet voor een nieuwe structuur om chemische stoffen en chemisch afval die in Suriname voorkomen te lokaliseren’. Ook de verwerking en aanpak van chemisch afval zouden terug te vinden zijn in de nieuwe structuur.

Een maand eerder had het Surinaamse parlement, de Nationale Assemblee, haar goedkeuring gegeven aan de regering voor het ondertekenen van het Verdrag van Basel en van Stockholm.

Op basis van deze twee verdragen zou verder gewerkt kunnen worden aan het lokaliseren, opslaan en verwerken van chemische stoffen en afvalmaterialen die schadelijk zijn voor mens en milieu. Het verdrag van Basel handelt over de wettelijke regeling voor de uitvoer van uiterst gevaarlijke stoffen. In Suriname zijn op verschillende locaties dergelijke stoffen opgeslagen.
Bij het Stockholm Verdrag gaat het om de bestrijding van Persistente Organische Verontreinigers (POP's). Verschillende schadelijke chemicaliën veroorzaken wereldwijd ernstige milieuproblemen. Sommige kunnen zelfs vele jaren nadat ze terecht zijn gekomen in het milieu nog negatieve effecten hebben. POP's zijn geen stoffen die van nature in het milieu voorkomen. Ze zijn door de mens gemaakt. In de Stockholm Conventie zijn de gevaarlijkste POP's vastgelegd. Dit verdrag heeft als doel milieuverontreiniging door POP's te voorkomen of te beperken. Suriname ondertekende in mei 2002 samen met 150 landen de Stockholm Conventie, maar had deze nog niet geratificeerd.

Tijdens de behandeling van beide verdragen in De Nationale Assemblee beloofde minister Ginmardo Kromosoeto van Arbeid, Technologische ontwikkeling en Milieu (ATM) na de aanname, dat spoedig ook de algemene nationale milieuwet aan het college zou worden aangeboden. Die wet zal meteen ook inspelen op de twee internationale verdragen. Dat was dus in februari 2011 en de Milieuwet is nog steeds niet beland in het parlement ter behandeling.

ATM erkent: 'Op vuilstort Ornamibo wordt naast huisvuil ook chemisch afval gedumpt’
Volgens Anuradhada Khoen Khoen, begin maart 2011, is het enorm triest gesteld met vrijwel alle aspecten van chemisch materiaal en afval in Suriname. Van import, productie tot opslag en verwerking. ‘Als we alleen al kijken naar de algemene vuilstortplaats Ornamibo. Daar worden naast huisvuil waarvoor het is bestemd, ook alle soorten schadelijk chemisch afval gedumpt. Dat is erg triest.’

NIMOS: Onbekend hoeveel schadelijk afval wordt gestort te Ornamibo
Naast het trage handelen door ATM, kan ook van het NIMOS niet echt gezegd worden dat het een alert en milieubewust instituut is. Het NIMOS opereert vooralsnog vooral op papier en participeert slechts, neemt deel aan, maar neemt zelden eigen initiatief.

Ooit, een paar jaar geleden, schreef Sandra Bihari ‘Education & Awareness Officer NIMOS’ een stuk met als titel ‘Ons huidig beleid t.a.v. gevaarlijk afval'. Daarin wordt in de inleiding een aantal soorten gevaarlijk afval benoemd, zoals zware metalen, polychloorbifenylen (PCB’s), (landbouw) chemicaliën, afgewerkte olie, oliefilters, batterijen, accu’s, oplosmiddelen en gevaarlijk afval. Opmerkelijk in haar stuk is de vermelding dat radioactief afval ‘weliswaar gevaarlijk is’, maar dat het niet valt onder gevaarlijk afval.
Ook op z’n zachtst gezegd opmerkelijk is het volgende tekstdeel: ‘Van de totaal geschatte hoeveelheid huishoudelijk en bedrijfsafval (plus minus 120.000 ton per jaar) welke gestort wordt op de vuilstortplaats Ornamibo is niet bekend hoeveel hiervan gevaarlijk is, aangezien er geen scheiding van het afval plaatsvindt alvorens deze wordt gedumpt. Voor gevaarlijk afval geldt dat zij in het algemeen naar categorie gescheiden, ingezameld, opgeslagen en bewerkt of verbrand moet worden. Vanwege de schadelijke bestanddelen mag gevaarlijk afval niet bij het gewone afval worden opgeslagen. Momenteel zijn er geen specifieke wettelijke bepalingen die het totaal proces vanaf de lozing of inzameling tot de verwerking van afval, inclusief gevaarlijk afval, regelen.’

Beperkte informatie op website NIMOS

Verder schrijft de NIMOS-medewerkster, dat regulering van gevaarlijk afval dringend vereist is in het belang van mens en milieu. ‘Momenteel is niet bekend hoeveel en welke soorten gevaarlijk afval er vrijkomen in bedrijven en huishoudens omdat er geen meldingsplicht bestaat omtrent de aard, de hoeveelheid en andere gegevens. Door instanties als het NIMOS en de ADEK (Anton de Kom Universiteit van Suriname) is gepoogd om d.m.v. onderzoeken nadere gegevens te verkrijgen. Helaas zijn het bij pogingen gebleven, aangezien een aantal bedrijven geweigerd heeft de gevraagde informatie te verschaffen en deze bedrijven correct aanvoeren dat zij hiertoe wettelijk niet verplicht zijn.’

Papieren tijger
Uit niets blijkt echter wat het NIMOS actief heeft ondernomen om er bijvoorbeeld achter te komen, door bijvoorbeeld het houden van steekproeven, hoeveel gevaarlijk afval terechtkomt op de bekende vuilstort Ornamibo of bij welke bedrijven welke soorten van gevaarlijk afval vrijkomen bij bijvoorbeeld productieprocessen. Het NIMOS lijkt een papieren tijger. De website laat vooral veel oude informatie zien. Enige actuele informatie is niet of nauwelijks aanwezig. De burger wordt slecht door dit milieuinstituut geïnformeerd over allerlei belangrijke milieu gerelateerde zaken.

Suriname weet zich geen raad met afvalstroom
Suriname kampt al vele jaren met een afvalprobleem in algemene zin, voornamelijk door slecht en laks beleid. Dat leidde in het voorjaar van 1999 al tot irritatie in ‘Den Haag’. Toenmalig minister Evelien Herfkens van Ontwikkelingssamenwerking was het zelfs zat om geld te steken in Surinaamse projecten die moeizaam verliepen door slecht beleid in Paramaribo.

De Volkskrant besteedde hieraan op 3 maart dat jaar aandacht:

‘Acht missies stuurde Nederland in vier jaar naar Suriname om het afvalprobleem van groot-Paramaribo op te lossen. Maar op de laatste dag van 1998, toen het ontwikkelingsproject al moest zijn voltooid, was de vuilverwerking van Paramaribo geen greintje verbeterd. Suriname faalde jammerlijk in het nakomen van gemaakte afspraken’, aldus berichtte de krant.  

‘Zo wees de Surinaamse regering pas op 30 december, een dag voor de deadline, een stortlocatie aan. De verzelfstandiging van het Surinaamse afvalbedrijf, een andere belangrijke voorwaarde, was helemaal niet rond. Het afvalbedrijf had niet eens een kantoor. En een nieuwe Afvalstoffenwet is nog altijd niet goedgekeurd door het parlement. Nederland stopte onlangs de financiering van het mislukte project, maar minister R. Mangal van Openbare Werken wil gewoon doorgaan. Alleen. De vijf miljoen gulden die nu ontbreken, zo verklaarde de minister trots, moet dan maar ergens op zijn begroting worden gevonden.’

Anno april 2013 heeft Suriname nog steeds geen Afvalstoffenwet – Concept lag in november 2007 al bij OW.....
Al begin november 2007 liet de directeur Vuilverwerking bij het ministerie van Openbare Werken, Bholanath Narain, weten dat de concept Afvalstoffenwet bij de Raad van Ministers lag voor commentaar. De Afvalstoffenwet zou volgens hem gesynchroniseerd zijn met de Milieuwet en de hele keten van vergunning tot controle op vuilverwerkingsactiviteiten zou erin zijn opgenomen. Via de Ware Tijd van 7 november 2007  beloofde Narain dat bij de inwerkingtreding van deze wet een grootscheepse voorlichtingscampagne zou worden opgezet, waarin burgers ingelicht zouden worden over de noodzaak van hygiëne, en gemotiveerd worden te helpen bij het proces het land schoon te houden.

Maar, eind oktober 2009 was er nog steeds geen wet. Toenmalig minister van Openbare Werken, Ganeshkoemar Kandhai, zei in de tweede week van oktober 2009 dat het ministerie bezig geweest was met een concept Afvalstoffenwet. Die was op dat moment gereed, maar de minister was niet in staat om concreet te zeggen of het binnen de regeerperiode haalbaar zou zijn om de wet goedgekeurd te krijgen door De Nationale Assemblee.

Inmiddels is het bijna mei 2013 en Suriname beschikt nog steeds niet over milieuwetgeving...

ATM reageert niet
Henna Uiterloo, directeur directoraat Milieu van ATM, zond ik op 9 april ter beantwoording de volgende vragen:

1) Hoe vorderen de werkzaamheden van de werkgroep ‘Beheer van het grensoverschrijdend transport van gevaarlijk afval’? 
2) Hoe is het SAICM/QSP-project afgerond en wat zijn de resultaten ervan? 
3) Zijn inmiddels chemische stoffen en chemisch afval in het land gelokaliseerd? 
4) Wat is de actuele stand van zaken rond de Milieuwet? Tijdens de behandeling gisteren in De Nationale Assemblee van de twee gouddeals kwam deze wet, en dan vooral de vraag naar de stand van zaken, ook ter sprake.

Het ministerie heeft tot heden (nog) niet de moeite genomen om te reageren op een paar concrete vragen. Geen reactie is echter ook een reactie, een heel duidelijke reactie....

woensdag 16 januari 2013

Worstelen met kafverbrandingsprobleem duurt te lang terwijl oplossingen voorhanden liggen

Volksgezondheid in geding -  Instanties als het NIMOS ondernemen geen actie 

16-01-2013  Door: Paul Kraaijer


Paramaribo - In het dagelijkse actualiteitenprogramma In de Branding van Apintie TV liet de waarnemend-directeur van het Nationaal Instituut voor Milieu en Ontwikkeling in Suriname (NIMOS), Cedric Nelom, zaterdag 13 januari 2013 weten dat de problematiek rond kafverbanding de aandacht heeft. ‘We weten dat er vanuit padiekaf ook energie opgewekt kan worden, iets dat haalbaar is voor Suriname, maar natuurlijk ga je met alle actoren moeten praten. Dat voorstel ligt er.’

De woorden van Nelom zijn niet echt daadkrachtig en laten de nodige vragen open. Hij gaat totaal voorbij aan de problematiek rond kafverbranding, de overlast die omwonenden ervan ondervinden. En als het gaat om energie opwekken uit kaf, zou de heer Nelom moeten weten dat er al vele jaren over wordt gesproken en dat er zelfs contacten zijn geweest met leveranciers in India van speciale apparatuur om een en ander mogelijk te maken.

(Een paar jaar geleden schreef ik een artikel over de astbestproblematiek in Suriname en daarvoor benaderde ik onder andere Cedric Nelom voor een reactie. Hij was immers destijds de zogenoemde asbestdeskundige binnen het NIMOS. Ook toen was zijn reactie ongeïnteresseerd en gaf hij blijk weinig tot geen kennis van zaken te hebben. Hij reageerde namelijk met de vraag wat de toegevoegde van mijn artikel zou zijn..... Verder ging hij inhoudelijk niet in op de asbestproblematiek in het land.)

Al vele jaren ondervinden bewoners veel overlast door de rook en as die vrijkomen bij kafverbrandingen. Al vele jaren worden door de mond oplossingen aangedragen, maar die woorden zijn tot nu toe nimmer omgezet in daden. Ondertussen blijven pelmolenaars hun kaf verbranden.

In maart 2010 schreef ik al een groot artikel over de kafproblematiek en voorhanden zijnde oplossingen die maar niet, om onduidelijke redenen, worden aangewend. Hieronder delen uit dat artikel aangevuld met informatie van na maart 2010.

Bij de verwerking van padie, in vooral het rijstdistrict Nickerie, is kaf een restproduct. Afgepeld van de padie. De rijstboeren verbranden dat kafafval. Bij dat verbrandingsproces komt zeer veel rookontwikkeling vrij. Bewoners in de omgeving ondervinden hinder van die rook. Hun gezondheid is al jaren in het geding. As dwarrelt neer, overal.

Nauwelijks aandacht regering voor kafverbrandingen
Al jarenlang leven bewoners in bepaalde gebieden van Nickerie onder de rook van de hinderlijke en ongezonde kafverbrandingen. Net als het geval is bij de verontreiniging van kreken in het binnenland door kwik, lijkt ook bij de kafbranden de regering zich nauwelijks zorgen te maken over de volksgezondheid. En dat terwijl er goede alternatieven zijn voor het verbranden van het kaf. De regering weet dat, maar de regering werkt zo stroperig, traag, onwillig: tot ergernis van mensen die kampen met gezondheidsproblemen ten gevolge van kafverbrandingen.

Maar ook de natuur lijdt onder de branden. Veel kaf verdwijnt in de Nickerierivier. Het water wordt hierdoor ernstig vervuild, waardoor vogels de rivier verlaten en vissen rondzwemmen met door het kaf vol geraakte kieuwen. Overigens publiceerde het Nationaal Instituut voor Milieu en Ontwikkeling in Suriname (NIMOS) al op 25 oktober 2006 een rapport over de risico’s van kafverbranding: ‘Padiekafverwerking - ‘De milieu-aspecten nader belicht’. Maar, kennelijk heeft een dergelijk rapport, waarin helder wordt omschreven wat de risico’s zijn voor de volksgezondheid van kafverbrandingen, geen enkele invloed op de regering.

Vanaf 15 april 2010 verbod op kafverbranden.....
Ondanks alles gloorde er licht aan de donkere rookwolken boven de Nickerianen. Het was een schemerlichtje, veroorzaakt door minister Kermechand Raghoebarsing van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV). Vanuit het ogenschijnlijke niets liet hij op 9 maart 2010 Nickerie weten dat het kafprobleem snel tot het verleden zou gaan behoren. Met ingang van 15 april zou het verbranden van kaf verboden zijn. Besloten werd namelijk dat het kaf…..gedumpt mocht gaan worden. Het had jaren geduurd voordat LVV tot dit eenvoudig en simpel klinkende besluit kon komen. Er was zelfs een dumplocatie gevonden in het district. Maar, pas in december begon het ministerie wegen aan te leggen naar niet één, maar twee nieuwe dumpplaatsen, een gedeelte van de Stalweide en het terrein achter het majoor Fernandes Vliegveld.

Het was een opmerkelijk en welhaast ongelooflijk besluit van Raghoebarsing gelet op wat zich zoal sinds 2007 aan oplossingen had aangediend. Echte oplossingen. Oplossingen die het kaf doen verdwijnen. Raghoebarsing verplaatste echter het probleem naar de toekomst door het kaf te laten dumpen. Zoals ook is gebeurd door Openbare Werken met oude asbestdakplaten die een paar meter onder de grond op de vuilstort Ornamibo zijn begraven. Verschuiven naar de toekomst om problemen schijnbaar op te lossen lijkt voor achtereenvolgende regeringen de meest voor de hand liggende optie. Het gevoel komt naar boven dat uiteindelijk, op den duur, al het gedumpte kaf ook gewoon verbrand gaat worden. De berg kafafval kan immers niet tot de hemel blijven groeien.

Buitenlandse interesse om kaf tot energie te verwerken
Al in juni 2007 meldde zich een buitenlandse firma die een project wilde opzetten om kaf tot energie te verwerken. Die energie zou dan door Swess Agro worden verkocht aan de NV Energie Bedrijven Suriname (EBS). Ook het bedrijf United EngineeringCorporation, UEC, uit India maakte dergelijke plannen bekend. UEC is een in Kolkata (Calcutta) gevestigd gerenommeerd bedrijf dat projecten heeft opgezet in 32 landen. Op de website is echter - anno januari 2013 - nog steeds niets te vinden over enige betrokkenheid bij Suriname.

In augustus 2007 liet EBS weten mee te willen helpen om een einde te maken aan het probleem van kafverbranding. Het bedrijf wilde een centrale waar door vergassen kaf tot energie kon worden omgezet. Ook hoopte het elektriciteitsbedrijf op wetgeving die padieverwerkers moest dwingen hun kaf aan de op te zetten centrale te leveren.

Eind 2007 bleek nog steeds geen schot te zitten in de EBS-plannen. Er kwam vanuit de regering maar geen duidelijkheid over een door EBS aangevraagd perceel te Waterloo waar de centrale gebouwd had moeten gaan worden.
In maart 2008 berichtte het Dagblad Suriname dat EBS hoopte in 2010 energie te kunnen gaan opwekken uit kafverbranding. Met het opzetten van een speciale stoomcentrale en verbrandingsoven zou een bedrag gemoeid zijn van rond de twaalf miljoen Amerikaanse dollars. Maar, ook nu weer was het wachten op besluitvorming bij de overheid. En een besluit werd echter niet genomen.

Een jaar later, februari 2009, begonnen bewoners in Nickerie het beu te worden. Nog steeds werden zij gedwongen om smerige, ongezonde, rook van kafbranden in te ademen. Tot ieders verrassing bleek dan ook nog eens dat het centrale-plan van EBS van tafel was. Een centrale om energie uit kaf op te wekken bleek plotseling niet rendabel te zijn voor EBS. De investering zou niet terug kunnen worden verdiend, omdat eigenaren van pelmolens teveel geld zouden vragen voor het door hun te leveren kaf. Dit had de EBS natuurlijk ook een jaar eerder al kunnen weten…. Het lijkt er op dat werkelijk niemand wil investeren in het oplossen van een groot volksgezondheidsprobleem. Het verbranden van kaf gaat door en dus ook het door bewoners inademen van de vrijkomende rook.

Assembleelid Harriet Ramdien vroeg op 14 mei 2009 de regering om de kafverbranding nu eens goed aan te pakken. Tijdens een werkbezoek in Nickerie had zij met eigen ogen de problematiek kunnen waarnemen: mensen leven in gesloten huizen in een omgeving vol rook en roet. Drie maanden later, in juli, lie minister Raghoebarsing weten dat het ondernemerschap in Nickerie kennelijk niet in staat was om voldoende verantwoordelijkheid aan de dag te leggen om het probleem van verbrandingen van kaf op te lossen. Ook beweerde hij een terrein ter beschikking te stellen waar kaf tijdelijk kon worden gedumpt, zonder het in brand te steken. Maar, ook nu weer bleef het bij woorden en werd geen kaf op een door LVV beschikbaar gestelde locatie gedumpt.

Half oktober 2009 waren het wèèr bewoners in het rijstdistrict die klaagden over de kafverbrandingen. Er bleek geen einde te komen aan de rookontwikkelingen boven hun hoofden. Ze uitten hun woede en frustraties via De Ware Tijd in de richting van de verantwoordelijken. ‘Waarom willen ondernemers niet investeren in verbrandingsovens?’, vroeg een bewoner zich af. Een andere bewoner zei dat hij en anderen moe waren van de situatie en dat instanties niet met oplossingen kwamen voor het jarenlange probleem.

In november kwam India weer om de hoek kijken. Urja meldde zich: een nieuwe uitvinding in India van RishiPooja Energy & Engineering Company, gevestigd in Gorakhpur. Afval wordt milieuvriendelijk omgezet in energie door een speciale biomassa-installatie. Een Surinaamse tussenpersoon van Urja, de heer Aren Balwantgir (Surinam Sack Centre N.V), deed het voorstel aan de overheid om een kredietlijn met India op te zetten voor de aankoop van kafvergassingsinstallaties. Na dit voorstel werd het stil en belandde weer een oplossing in de vrieskist van LVV.

Geen wettelijke basis voor verbod op verbranden....
Kafverbranding in Nickerie ging gewoon door. Ruim 65% van de pelmolenaars gaf geen gehoor aan het verbod van de regering om geen kaf te verbranden, zo berichtte Starnieuws 16 juni 2010. Rijstmagnaat Leakat Mahawathkhan zei op Starnieuws dat hij normaal kaf verbrandde. ‘Er is geen wettelijke basis voor het verbod. In gebieden waar er geen mensen wonen, mag kafverbranding in feite niet verboden worden.’

Op 15 april 2010 had minister Kermechand Raghoebarsing van Landbouw, Veeteelt en Visserij het verbranden van kaf verboden.

Plannen voor plaatsing 20 kafverbrandingsunits in 2011....
De regeringscoördinator van de rijstsector, Badrissein Sital, liet in december 2010 weten dat de kafproblematiek in Nickerie snel tot het verleden zou gaan behoren. Als voorlopige oplossing zou er een waterverzadigingssituatie gecreëerd worden. In het eerste kwartaal van 2011 zouden twintig kafverbrandingsunits in het district Nickerie geïnstalleerd worden, aldus Starnieuws op 3 december 2012.

Door de waterverzadigingssituatie kon er geen brandgevaar ontstaan. Het kaf zou in water gedumpt worden en het waterniveau kwam daardoor gelijk te staan met het kafniveau. Sital verklaarde dat een en ander in samenspraak met Nimos aangepakt zou worden. Nimos moest wel de milieu-effecten hiervan nagaan. ‘Ondertussen wordt er gewerkt aan het halen van de kafverbrandingsunits. We hebben al 29 pelmolenaars in kaart gebracht’, aldus Sital op 3 december 2010.

Een kafverbrandingsunit kostte rond de 25.000 Amerikaanse dollar kosten. De pelmolenaars zouden in staat worden gesteld een unit tegen een zachte lening aan te kunnen schaffen. Het kaf zou in energie omgezet worden. Sital was van plans om een centrale kafvergassingsunit uit India te laten overkomen, maar de financiering moest nog wel rond komen. Het eindproduct zou metaangas zijn en de resten zouden kunnen worden omgezet in ureum. Sital was ervan overtuigd dat de pelmolenaars zouden gaan meewerken aan de structurele oplossing voor het kafprobleem.

Anno 2013 nog steeds overlast door kafbranden
Maar, het bleef weer bij woorden. Met regelmaat waren in het district Nickerie kafbranden. Begin januari 2013 moest de brandweer uitrukken om een kafverbranding van pelmolenaars aan de Vuurtorenweg te blussen en dat terwijl het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij ondertussen een speciale dumpplaats in het leven had geroepen voor pelmolenaars. Een maand eerder hadden bewoners aan de Vuurtorwenweg, in de Westelijke polder,  districtscommissaris Wedprekash Joeloemsingh geïnformeerd dat ze na een periode van achttien maanden weer geconfronteerd werden met kafverbranding. Twee pelmolenaars aan de Manjaveiraweg waren al sinds 12 november kof aan het verbranden en dat leverde de bewoners veel hinder op door rook en as. Overigens hadden bewoners van de Vuurtoregweg ook in juni 2010 al aan de bel getrokken. Na een aantal keren hinder ondervonden te hebben van de verbrandingen van kaf dienden zij een petitie in bij toenmalig districtscommisaris Bhagwathpersad Shankar, spraken met ministers en verschillende autoriteiten, zonder resultaat.

Besluiteloos
Besluiteloosheid alom. Oplossingen liggen voor het oprapen, maar investeren blijkt een onmogelijkheid. Kafverbrandingen staan waarschijnlijk niet echt hoog op de agenda van de regering en LVV. En daardoor ook niet de gezondheidsproblemen van burgers in Nickerie. Bauxiet en goud zijn belangrijker voor de staatskas dan rijst. Geld is belangrijker dan de gezondheid van Surinaamse burgers. De rijst zal er niet minder door smaken of het moet in Nickerie doordrenkt zijn door de smaak van verbrand kaf.

woensdag 12 oktober 2011

Risico's afvalverbranden door particulieren voor gezondheid onderschat in Suriname

Surinaamse overheid geen aandacht voor afvalverbranding en vrijkomende giftige stoffen

12-10-2011 Door: Paul Kraaijer


Paramaribo – Het hoort bij het dagelijks leven van vele Surinamers: het verbranden van het eigen huishoudelijk afval. Iedereen weet dat het verboden is, maar er wordt niet tot nauwelijks tegen opgetreden. In vele buurten en wijken van Paramaribo is dagelijks de lucht van brandend afval te ruiken en zijn rookpluimen en vuur te zien. Maar, niemand in Suriname staat stil bij de niet te onderschatten risico’s voor de volksgezondheid bij het verbranden van afval, ook de overheid niet.

Noodzakelijk kwaad.....
Veel Surinamers zien zich genoodzaakt hun afval op het eigen erf of op een berm in de straat te verbranden. Het ontbreekt nog steeds aan een goede effectieve vuilnisophaaldienst en waar daadwerkelijk de vuilniswagen tweemaal per week in de buurt komt, mijdt deze de onverharde, zanderige en slecht berijdbare wegen. Bewoners aan die wegen gaan daardoor vaak over tot het verbranden van hun afval. Maar, velen zijn ook te gemakzuchtig om even een aantal meters met hun vuilniszakken te lopen, naar een verharde weg. Het mes snijdt dus aan twee kanten. Ook zijn er inwoners die aan verharde wegen wonen en toch hun afval in brand steken... Overigens zijn het niet alleen particulieren die hun afval verbranden.
Ook ondernemers, zoals eigenaren van kleine supermarkten, maken zich er schuldig aan.
Soms loopt een afvalverbranding uit de hand en moet de brandweer komen om het vuur te blussen. In 2008 moest de brandweer 808 keer uitrukken voor zogenoemde ‘vuilnisbranden’ en 731 keer in 2009.

Niemand maakt zich zorgen: dioxine en zware metalen in rook
Afval van kleine supermarkt klaar om in brand te worden gestoken, waaronder een plastic stoeltje....
Schokkend is het te moeten constateren dat werkelijk niemand in Suriname zich zorgen schijnt te maken over de risico’s die verbonden zijn aan het dagelijks afvalverbranden voor de eigen gezondheid. Niet de gewone Surinamer, maar ook de overheid niet.

Alles wordt verbrand: van allerlei verpakkingsmaterialen, tot plastic stoeltjes, kunststoffen autovelgen, lege spuitbussen insecticiden, petflessen, etensresten en blikjes. Wanneer je in een straat woont waar dagelijks iemand zijn afval in brand steekt, dan kun je dagelijks ongewild rook en dus ook allerlei giftige stoffen binnen krijgen. Bij het verbranden van afval komen veel giftige stoffen vrij, waaronder het kanker bevorderende dioxine. Dioxine is een verzamelnaam voor een grote groep chemische verbindingen, waaronder een aantal zeer giftige. Bij onder andere de productie van chloorhoudende bestrijdingsmiddelen en bij de verbranding van chloorhoudende stoffen - zoals het plastic PVC – komt dioxine vrij. Je hoeft geen deskundige te zijn om te weten dat huishoudelijk afval vaak chloor bevat: etensresten met keukenzout (natriumchloride), verpakkingen van PVC en producten als chloorbleekmiddel. Naast dioxine komen ook andere schadelijke stoffen vrij, zoals bepaalde koolwaterstoffen en zware metalen. Zware metalen zoals lood, cadmium, chroom, arseen en kwik komen vrij bij het verbranden van bijvoorbeeld kranten, reclamefolders of behandeld hout. Ze brengen een zeer breed scala aan schadelijke gezondheidseffecten met zich mee.
Het zijn vooral gevoelige groepen in de samenleving, zoals zwangere vrouwen, ouderen, kinderen en longpatiënten, die de grootste gezondheidsrisico’s lopen.

Het afval van de kleine supermarkt, waaronder een plastic stoeltje, wordt 's avonds in brand gestoken.

Op de website van de Belgische organisatie Medisch Miliekundigen is onder andere te lezen dat ‘de norm voor dioxine heel erg laag’ is. ‘Je mag per dag slechts 10 picogram (0,00000000001 gram) per kilo lichaamsgewicht binnenkrijgen. Verschillende dioxine-deskundigen twijfelen aan de juistheid van deze norm. Zo raadt de Nederlandse Gezondheidsraad in haar dioxine- risico-evaluatierapport een inname van hoogstens 0,1 pg per kg lichaamsgewicht per dag aan. Uiterst kleine hoeveelheden zijn al schadelijk. Bij een normaal voedselpakket krijgt men ongeveer 2 tot 15 picogram per dag binnen. Uit een onderzoek van het gezaghebbende Amerikaanse Environmental Protection Agency (EPA) blijkt dat de gevaren van dioxine groot zijn. De norm zou daarom eigenlijk nog zo'n 1500 maal zo streng moeten zijn. Bij mensen kan dioxine een ernstige vorm van huiduitslag, chlooracne, veroorzaken. Hoogstwaarschijnlijk kan dioxine geboorteafwijkingen veroorzaken, kanker bevorderen en de hormoonstofwisseling beïnvloeden. De stof hoopt zich op in vet, zoals melk- en lichaamsvet. We krijgen dioxine voornamelijk binnen via ons voedsel. Een klein gedeelte van de dioxine is afkomstig uit andere bronnen, bijvoorbeeld door roken of door het verkeer’, aldus bericht Medisch Milieukundigen op haar website
Het door de Belgen genoemde Amerikaanse EPA meldt zelfs dat de grootste hoeveelheid dioxine in de lucht in de VS ontstaat door het verbranden van huishoudelijk afval! Diverse gemeenten in Amerika gaan op hun websites in op de risico’s voor de volksgezondheid bij het verbranden van huishoudelijk afval. Daar gebeurt het vooral – in tegenstelling tot in Suriname waar het afval gewoon op een hoop wordt gegooid - in vaten, maar ook in de VS is het verbranden van huishoudelijk afval verboden.

Voedselketen
Bij het verbranden van afval kunnen vrijkomende giftige stoffen, zoals dioxine, neerdalen op de bodem. Het zou terecht kunnen komen in gewassen en grassen en dergelijke, waardoor het in de voedselketen terechtkomt via bijvoorbeeld vee of kippen (denk aan eieren). Zo concentreert dioxine zich in het vet van koeien en dus ook in hun vlees en melkvet. Groenten nemen nauwelijks dioxine op uit de bodem. Vanuit de lucht kan het daarentegen wel op de groenten neerkomen. Door groente goed te wassen kan dioxine grotendeels worden verwijderd. Andere schadelijke stoffen, zoals zware metalen, worden wel in groenten opgenomen. Ook het overblijvende as na het verbranden van afval bevat nog veel schadelijke stoffen en kan een risico zijn voor de gezondheid wanneer men ermee in aanraking komt. Het is dan ook onverstandig wanneer kleine kinderen spelen op grond waar afval is verbrand.

Deskundigen en minister van van ATM en het NIMOS zwijgen
Ieder weldenkend mens zou dus kunnen denken dat het verbranden van afval allesbehalve gezond is. Maar, niet in Surname. Zelfs overheidsinstanties blijken zich er niet te druk om te maken .
Op de websites van bijvoorbeeld het Nationaal Instituut voor Milieu en Ontwikkeling in Suriname (NIMOS) en het ministerie van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu (ATM) is niets te vinden over de risico’s voor de volksgezondheid bij het verbranden van huishoudelijk afval. Op de ATM-website is zelfs helemaal niets over het onderwerp ‘afval’ te vinden.
Het NIMOS gaat summier in op zogenoemd ‘afvalbeheer’:
‘Het branden en het illegaal storten van vaste afvalproducten op verlaten lokaties langs wegen of in nabijgelegen open waterwegen is een gewone zaak geworden als gevolg van een verslechterde infrastructuur met betrekking tot het beheer van afvalproducten.’
Verder meldt het NIMOS in een al op 17 mei 2004 geschreven speciaal document met als titel ‘Afvalprobleem bedreigd volksgezondheid en milieu - Oplossing in zicht’ onder andere:
‘Het grootste milieuprobleem in Suriname is afval. Er is geen adequate afvalinzameling, geen behandeling van afvalwater en nauwelijks afvalverwerking, waardoor de gezondheid van mens en milieu ernstig wordt bedreigd. Het ministerie van OW tracht een begin te maken aan de oplossing van dit probleem door de desbetreffende verouderde wetgeving te moderniseren. Door de snelle economische ontwikkeling is de hoeveelheid afvalstoffen (huis- en tuinafval, grof vuil, gevaarlijk en industrieel afval) de laatste jaren vermeerderd.’
In het hele document wordt echter met geen woord gerept over het verbranden van afval door particulieren, laat staan over de risico’s voor de volksgezondheid. Wel wordt uitgebreid ingegaan op de gevolgen van het ongecontroleerd dumpen van afval, maar daarbij zijn de risico’s voor de volksgezondheid mogelijk minder groot, dan bij het verbranden van afval.

Milieutips ATM
Astrid Boedhoe, eerste voorlichtingsmedewerker bij het ministerie van ATM, laat in een reactie weten dat zij als voorlichter ‘zeker aandacht aan het aangekaart probleem’ gaat besteden ‘in de vorm van milieutips vanuit het ministerie’. Maar, ondanks haar tussenkomst bleven reacties van deskundigen binnen haar ministerie en van de minister, uit. Ook werd niet – ondanks herhaalde verzoeken – gereageerd door het NIMOS en het ministerie van Gezondheidszorg. Het niet reageren is zowel veelzeggend als zorgelijk en lijkt erop te duiden dat niemand binnen de Surinaamse overheid over enige kennis van zaken beschikt als het gaat om de de risico’s voor de volksgezondheid bij het verbranden van huishoudelijk afval door particulieren.

Geen vuiltje aan de lucht
Wie in de nabijheid woont van brandend afval, kan in Suriname niet aan de vrijkomende rook ontkomen. Hoe gering wellicht de hoeveelheid giftige stoffen in rook is die men in het lichaam krijgt, wanneer men er bijna dagelijks in meer of mindere mate aan wordt blootgesteld, zou dat gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid. De twee enige manieren om aan een dergelijk gezondheidsrisico te ontkomen zijn wanneer de vuilnisophaaldienst een- à tweemaal per week ook het vuil – verpakt in (vuilnis-)zakken - bij woningen aan onverharde wegen zou kunnen ophalen, maar vooral door een mentaliteitsverandering bij bewoners die het verbranden van hun afval als de gewoonste zaak van de wereld beschouwen, ‘alsof er geen vuiltje aan de lucht is’.

woensdag 1 december 2010

Op Oudejaarsdag is centrum Paramaribo weer rood en mistig door pagara-estafette

Winkelcentrum opnieuw in rode mist gehuld

Pagara-estafette toch weer


in centrum

01-12-2010 Written by Paul Kraaijer, De Parbode, December 2010, Jaargang 5, Nummer 56


Het centrum van Paramaribo kan zich ook dit jaar opmaken voor de wereldberoemde pagara-estafette op oudejaarsdag. Het zag er even naar uit dat het vuurwerkspektakel verbannen zou worden naar de Waterkant. Maar de lange ‘matten’ en ‘tapijten’ van knalvuurwerk kunnen gewoon weer in de winkelstraten van het centrum gelegd worden.


Verplaatsen
Vorig jaar juni verschenen plotseling in de media berichten dat de Vuurwerk Commissie het traditionele oudejaarsvuurwerk uit veiligheidsoverwegingen wilde verplaatsen naar de Waterkant. Vanuit ondernemingen zoals Blokker en Krasnapolsky, die middenin het vuurwerkgeweld gevestigd zijn, kwam meteen kritiek op dat voornemen. Volgens de ondernemers zouden er voldoende veiligheidsmaatregelen getroffen worden. En zij hebben een punt. Want zelden zijn tijdens de pagara-estafettes slachtoffers gevallen door het vuurwerk. Maar het in brand vliegen van een reclamedoek aan een pand naast Blokker leidde wel tot de nodige discussies. Het doek werd geraakt door een stuk vuurwerk. Gelukkig kon dat brandje snel worden geblust. Toch stond het gebeurde aan de basis voor de plannen om de estafette naar de Waterkant te verplaatsen.

Santokhi (toenmalig minister van Justitie en Politie) maakte zich vooral zorgen over de vele monumentale gebouwen in het centrum en het beschikbare bluswater aan de Waterkant zou volgens hem een verhoogde veiligheid bieden. Naar aanleiding hiervan volgde een onderzoek door de Vuurwerk Commissie naar de veiligheidsaspecten in de binnenstad. Santokhi: “Het advies van de Vuurwerk Commissie om de pagara-estafette desondanks in het centrum te laten, werd overgenomen door de vorige regering.”

Maar gaat dat advies ook worden opgevolgd door de nieuwe regering? Namens Krasnapolsky laat Chief Operations Officer Rick Tjon A Joe, weten dat hij nog geen schrijven heeft ontvangen van het ministerie van Justitie en Politie over de pagara-estafette van dit jaar. Een woordvoerder van Blokker wil niet reageren en verwijst naar de Vuurwerk Commissie. Ook de woordvoerder van het Korps Brandweer Suriname, Glenn Cooman, wil niet reageren en verwijst op verzoek van korpschef Cecil Waal naar dezelfde Commissie. Kennelijk ligt de regie van de pagara-estafette stevig in handen van dit comité en voelen anderen zich niet vrij om inhoudelijk te reageren. Ook vragen over eventuele calamiteiten in de afgelopen jaren worden niet door de brandweer beantwoord.
Marijke Romey van de Vuurwerk Commissie kan enige duidelijkheid verschaffen: “De veiligheidsmaatregelen zullen niet veel verschillen met voorgaande jaren. Wij hebben het evenement geëvalueerd met vele betrokkenen, zoals de politie, brandweer, winkeliers en het publiek. Dit jaar zal de brandweer al aanwezig zijn vóórdat het vuurwerk wordt afgestoken. Ook zal er een EHBO-post komen en moeten winkeliers blusmateriaal hebben.”


Milieuaspecten
Niet alleen de veiligheid kwam aan de orde tijdens de evaluatie, ook milieuaspecten werden in overweging genomen. In ieder geval is, aldus Romey, gesproken over de rookontwikkeling na het afsteken van knalvuurwerk. “Er worden voortaan rustmomenten ingebouwd. Wanneer een hoeveelheid vuurwerk heeft geknald zal een pauze worden ingelast waarin de kruitdampen kunnen optrekken en verwaaien. Vervolgens kan een volgende serie vuurwerk tot ontploffing worden gebracht.”

Of deze maatregel afdoende is zou het Nationaal Instituut voor Milieu en Ontwikkeling in Suriname, NIMOS, kunnen bepalen. Maar die zijn niet benaderd meent Radjni Ramsukul van het Surinaamse milieu-instituut. “Wij zijn niet betrokken geweest bij het onderzoek van de Vuurwerk Commissie en weten dan ook niet welke aspecten er in zijn meegenomen.”

Maar in hoeverre zijn kruitdampen schadelijk voor het milieu? Ramsukul: “Bij het afsteken van vuurwerk komen broeikasgassen vrij, waaronder methaan en stikstofdioxide, CO2. En na het afsteken houdt men afval over. Het gaat voornamelijk om papier en karton, maar ook onverbrande resten van metaalverbindingen. Deze kunnen uitspoelen naar de bodem en in het water terechtkomen, als het afval niet op tijd wordt opgeruimd.” En vindt het Nimos dat de estafette verplaatst of aangepast moet worden? “Wij kunnen niet aangeven voor- of tegenstander te zijn van het verplaatsen van de pagara-estafette. Er moet eerst een grondige evaluatie of locatieanalyse uitgevoerd worden en ook de milieuaspecten moeten in acht genomen worden. Ook de brandveiligheid en gezondheidsaspecten moeten geëvalueerd worden.”, aldus het NIMOS.

Gezondheidsrisico’s
De pagara-estafette, die zijn oorsprong vindt in een Chinese traditie, is inmiddels uitgegroeid tot een wereldwijd bekende toeristische attractie. Zelfs televisiezender CNN besteedde op 29 december 2009 aandacht aan het vuurwerk in Paramaribo. Het festijn werd geplaatst in het rijtje ‘fantastische jaarwisseling bestemmingen’ met Rio de Janeiro, Caye Caulker in Belize, Barcelona (Spanje), Hanoi (Vietnam) en het Schotse Edinburgh. Suriname mag daar best beretrots op zijn. Duizenden mensen gaan op in het feestgedruis in straten als de Domineestraat en de Jodenbreestraat. Wie kent niet de beelden van bezoekers van het spektakel met handen voor de mond en voor de oren? Toch genieten ze kennelijk van de luide knallen en de daarna verstikkende rode mist. De stinkende kruitdampen kunnen niet bevorderlijk zijn voor de gezondheid, maar rond de veiligheid van de pagara-estafette wordt opmerkelijk genoeg nooit gesproken over risico’s voor de omstanders.
Het Bureau voor Openbare Gezondheidszorg (BOG) van het ministerie van Volksgezondheid laat weten nooit enige vorm van onderzoek verricht te hebben. Edwin Olijfveld, coördinator van de afdeling Milieu-inspectie: "We denken op oudejaarsdag niet aan die schadelijke effecten, maar zij zullen zeker van invloed zijn op het gehoor en de gezondheid van de omstanders. Het is een prima idee om hier eens aandacht aan te besteden. Wellicht is het goed om het één en ander eens in de nabije toekomst in clusterverband, met alle betrokkenen, te gaan bespreken." Ramsukul weet wel iets meer over de gezondheidsrisico’s: “Vuurwerk veroorzaakt fijn stof in de lucht dat vaak zware metalen bevat en diep de longen kan indringen. De gezondheidseffecten zijn afhankelijk van de concentraties en de blootstellingduur.” Natuurlijk veroorzaakt het knalvuurwerk ook geluidsoverlast.

Sonja Carilho van het Environmental Sciences Department van de Anton de Kom Universiteit weet na de komende jaarwisseling meer over de geluidsoverlast. Ze gaat dit jaar metingen verrichten om te kijken hoeveel overlast er is. Carilho: “Ik heb helaas geen apparatuur om kruitdampen te meten, maar misschien dat we iets bedenken.” Ze vindt het vuurwerk wel spectaculair, “maar ik heb het gevoel dat het ongezond is”.

In ieder geval kunnen liefhebbers van extreem luid knalvuurwerk rond de jaarwisseling weer terecht in het centrum. De pagara traditie wordt voortgezet en Paramaribo zal zich weer even wanen in een dikke, ongezonde mist van optrekkende kruitdampen boven de rood gekleurde straten.

(Bron foto's: archief Kraaijer)


Noot Kraaijer: De Ware Tijd berichtte pas op 24 december 2010 dat de pagara estafette ook dit jaar gewoon weer in het centrum van Paramaribo wordt gehouden: http://www.dwtonline.com/website/nieuws.asp?menuid=37&id=85015.

Suriname mist weer een kans - Nauwelijks aandacht voor VN Jaar van de Biodiversiteit 2010

VN Jaar van de Biodiversiteit 2010

aan Suriname voorbij gegaan 

Gemiste kans

01-12-2010 Door: Paul Kraaijer,  De Parbode, December 2010, Jaargang 5, Nummer 56


Het jaar 2010 nadert zijn einde. Ook eindigt eind december het internationale VN Jaar van de Biodiversiteit. Maar waren vele Surinamers wel op de hoogte van dit speciale jaar en in hoeverre hebben Surinaamse natuurbeschermingsorganisaties hieraan bekendheid gegeven? De respectievelijke antwoorden zijn niet bemoedigend voor een land waar de natuur in al zijn grillige en kleurrijke vormen zo nadrukkelijk en overweldigend aanwezig is en beschermd dient te worden: neen en nauwelijks. Voor Suriname lijkt dit VN jaar meer symbolisch en ver weg te zijn dan dat het werkelijk enige relevante waarde heeft (gehad) om in 2010 extra aandacht te vragen en te krijgen voor de unieke Surinaamse biodiversiteit.


Suriname ondertekende al begin juni 1992 de VN Biodiversiteits Conventie (Convention on Biological Diversity) en werd in december 1996 formeel een van de 193 deelnemende ‘partijen’. Het is het Ministerie van Arbeid, Technologie en Milieu dat Suriname officieel in de conventie vertegenwoordigd. De vertegenwoordiging bestaat uit maar liefst vier vrouwelijke ambtenaren milieubeleid, meldt de intenetsite van de Conventie. Met enthousiasme werd het speciale VN jaar pas op 26 april met een boodschap op de tv geopend door toenmalig ATM-minister Joyce Amarello-Williams.

Biodiversiteit is een zeer breed begrip. Feitelijk valt alles wat zich in de natuur afspeelt onder biodiversiteit. De VN omschrijft het dan ook alsvolgt: ‘Biodiversiteit is de term gegeven aan een diversiteit van leven op aarde en aan de natuurlijke patronen die gevormd worden. De biodiversiteit die wij vandaag de dag zien is de vrucht van miljoenen jaren van evolutie, gevormd door natuurlijke processen en meer en meer door menselijke invloeden. Het vormt het web van leven waar wij integraal deel van uitmaken en waar we zo afhankelijk van zijn.’

De diversiteit wordt gevormd door een grote variëteit aan planten, dieren en micro-organismen. In Suriname zijn ruim 700 vogelsoorten, 192 zoogdieren, 175 verschillende reptielen en 318 soorten vis en ongeveer 5100 diverse plantensoorten.

Flora en fauna bedreigd
Menselijke activiteiten bedreigen de biodiversiteit. Vele diersoorten sterven uit of zijn al uitgestorven. De zucht naar geld, verkregen uit de opbrengsten van goud- en bauxietwinning, bedreigt de flora en fauna van Suriname. In oktober van dit jaar presenteerde het Wereld Natuurfonds Guianas cijfers over houtkap ten gunste van goudmijnen. Binnen de Guianas is Suriname een triest dieptepunt. In 2008 blijkt maar liefst 27 258.8 hectare regenwoud opgeofferd te zijn voor klompjes goud, terwijl in 2000 ‘slechts’ 8295.9 hectare bos werd neergehaald.
Daarnaast wordt de Atlantische kust van Suriname bedreigd door een langzame, lichte stijging van de zeespiegel en door erosie: een levensbedreigende situatie. De biodiversiteit is in gevaar in de kuststrook en vereist menselijk ingrijpen om toekomstige natuurrampen te voorkomen.

VN Jaar van de Biodiversiteit verdiende meer aandacht
Kortom, het VN Jaar van de Biodiversiteit had zeker dit jaar veel aandacht verdiend. Toch lijkt dit speciale jaar grotendeels langs Suriname te zijn gewaaid en dat staat haaks op de vele natuurlijke problemen waar het land mee kampt.

Diverse natuurbeschermingsorganisaties reageren niet op vragen over wat zij zoal in 2010 hebben gedaan om specifiek aandacht te vragen voor het VN Jaar van de Biodiversiteit. Mogelijk valt er ook niets te reageren, omdat er wellicht weinig tot niets is gedaan om het VN jaar en dus biodiversiteit onder de aandacht te brengen.

Rudi van Kanten, Programme Director van Tropenbos International Suriname, is een van de weinigen die reageert. “Tropenbos International Suriname participeert in de Biodiversiteitsworkshops van het ministerie van ATM en biodiversiteitspresentaties van andere organisaties.” Het is een korte reactie, maar een reactie. Onduidelijk is of de genoemde presentaties van niet nader genoemde andere organisaties werden gehouden speciaal in het kader van het VN jaar. Van Kanten laat ook nog weten dat de novembereditie van het kwartaalblad Bos en Natuur (een uitgave van Tropenbos Internationaal Suriname, het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek in Suriname, WWF Guianas en Environmental Services & Support) een special is met als thema biodiversiteit.

De Nederlandse ambassade heeft in samenwerking met Tropenbos Internationaal Suriname vier videospotjes geproduceerd waarin diverse aspecten van de biodiversiteit aan de orde komen.
‘In het kader van het vergroten van de publieke bewustwording over de waarde van onze biodiversiteit.’, zo laat de ambassade op haar website weten. Maar ook hier wordt met geen woord gerept over het VN Jaar van de Biodiversiteit.

NIMOS
Het Nationaal Instituut voor Milieu en Ontwikkeling in Suriname, het NIMOS, reageert wel. Yolanda Babb-Echteld, Field Officer, laat namens het NIMOS weten dat geen speciale activiteiten zijn georganiseerd. Niet echt een verrassende reactie. “Maar wij hebben reguliere milieu tori’s, waarbij wij alle milieudagen belichten. Wij hebben geparticipeerd in de activiteiten van het ministerie van Arbeid, Technologie en Milieu in samenwerking met de Districtscommissaris van Paramaribo in het project Paramaribo City of Smiles.” Op de vraag waarom het NIMOS niet iets specifieks heeft georganiseerd in het kader van het internationale VN Jaar van de Biodiversiteit stelt het NIMOS dat zij niet “de focal point voor de UNCBD, de UN Convention on Biological Diversity, in Suriname is, maar het ministerie van ATM”.
Yolanda Babb-Echteld: “Het NIMOS participeert in alle activiteiten van het ministerie. Het NIMOS geeft meer technische invulling aan de implementatie van het Verdrag.” Jammer dat een belangrijk milieu instituut als het NIMOS niet zelf initiatieven neemt om biodiversiteit op de kaart van de publieke aandacht te zetten.

Aanmodderen
Met een nogal afwachtende houding blijft het in Suriname aanmodderen als het gaat om een goed, effectief, georganiseerd en succesvol duurzaam natuurbeheer en dus, met andere woorden, bescherming van het milieu, de flora en fauna in het land, de biodiversiteit. Een land waar nog steeds ongebreidelde voor de natuur desastreuze kleinschalige goudwinning kan plaatsvinden, waar jagers ongestoord en ongestraft (beschermd) wild kunnen afknallen of vangen voor de handel, waar nauwelijks wordt opgetreden tegen het asociale afvaldumpgedrag van velen, waar grote internationale goud- en bauxiet-/aluminium multionationals kaalslag plegen in het regenwoud en het milieu, de flora en fauna van ondergeschikt belang zijn.

Het is gewoon een feit, een gegeven: harde Amerikaanse dollars zijn voor de Surinaamse overheid belangrijker dan goede zorg voor het milieu, de natuur. De nieuwe regering toont echter een iets vriendelijker gezicht voor het milieu. Er zijn goede intenties, maar laat het de komende jaren niet bij woorden en papier blijven. Laat het milieu in al haar aspecten een belangrijk issue worden....

Plannen op papier
Het Ministerie van ATM besteedt op haar internetsite uitgebreid aandacht aan biodiversiteit. Binnen de Conventie inzake biodiversiteit zijn bioveiligheid en de formulering van een nationale Biodiversiteit Strategie het belangrijkst. Het ministerie heeft al in 2006 het Nationale Biodiversiteits Strategie Plan gepubliceerd, verplicht gesteld door de VN. Dit 41 pagina’s tellend document heeft een voorwoord van toenmalig minister drs. Clifford P. Marica. Marica spreekt onder andere de hoop uit ‘dat elke burger van Suriname zichzelf moge terug vinden in de visie van deze Strategie en het tot hun eigen missie moge maken, teneinde Suriname’s biodiversiteit te waarderen, te koesteren en duurzaam te gebruiken.’ Maar, hoeveel burgers hebben inzage hebben gehad in het plan?

In september 2009 werd door ATM een derde, 154 pagina’s tellend, landelijk rapport voor de VN Convention on Biological Diversity gepubliceerd. Dit rapport is samengesteld door het consultancy bureau Environmental Services & Support in Paramaribo. Het ‘rapport’ wordt echter gevormd door zo’n 138 pagina’s VN vragenlijsten met in totaal meer dan 200 vragen. Op zeer vele vragen is met een ‘no’ geantwoord. Zo ook op de vraag of Suriname maatregelen heeft genomen om de rol van biodiversiteit in het regenwoud en het functioneren van het ecosysteem beter te kunnen begrijpen, vanwege het ontbreken van voldoende deskundigheid. ‘No’ is ook het antwoord op de vraag of er mechanismen door de overheid zijn opgezet om direct te reageren wanneer activiteiten of gebeurtenissen de biodiversiteit bedreigen. Op de vraag welke maatregelen worden getroffen om bedreigingen van de biodiversiteit in de bossen te reduceren is geantwoord dat onderzoek is verricht naar kwikvergiftiging in vissen en lokale bewoners en dat er bewustwordingscampagnes zijn over de risico’s van het gebruik in de goudwinning. Het ‘rapport’ schetst een bedroevend beeld.

ATM werkt verder aan een zogenoemd ‘bioveiligheidsraamwerk’ om voorbereid te zijn op ‘hoogstaande biotechnologische technologieën afkomstig uit ontwikkelde landen’.

Opmerkelijk is dat het ministerie via haar website laat weten dat er een ‘sterke wil’ aanwezig is om te komen tot ‘strategie waarbij er een visie geformuleerd wordt zodat het duidelijk is welk beleid gevoerd zal worden met betrekking tot onze biodiversiteit’.

Geen specifiek beleid
Geconstateerd kan worden dat er dus nog geen specifiek beleid ontwikkeld is om de Surinaamse biodiversiteit te beschermen, ondanks de uitgebrachte rapporten. Slechts is sprake van het formuleren van een ‘nationaal biodiversiteit actieplan’.

Ondanks herhaalde verzoeken was het ministerie van ATM niet ‘bereikbaar’ voor commentaar. Kennelijk is het VN Jaar van de Biodiversiteit ook voor het ministerie slechts een papieren jaar en is niemand in staat hierover enkele vragen te beantwoorden. Dat is op zijn zachtst gezegd betreurenswaardig.
Is de vertegenwoordiging van het ministerie van ATM in de VN Convention on Biological Diversity slechts een formele vertegenwoordiging, blijft de aandacht voor biodiversiteit in eigen land slechts beperkt tot het bedenken van plannen aan een bureau in de burelen van het ministerie en een op één hand te tellen concrete activiteit in 2010 en was het woord biodiversiteit dit jaar slechts een aanleiding om in internationale contacten, conferenties en congressen te bedelen om als Suriname door het geïndustrialiseerde Westen gecompenseerd te worden voor haar vermeende duurzame bosbeheer?

Niet afwachten in 2011
Biodiversiteit in Suriname in 2011 vraagt om concrete actie, geen woorden en papier meer. Geen rapporten die in een bureaulade verdwijnen. Het milieu, de flora en fauna kunnen niet meer alleen overleven. Menselijke actie en activiteit zijn noodzaak om de schitterende biodiversiteit van Suriname voor de toekomst te behouden. 2011 Moet niet weer een jaar worden van afwachten, passiviteit, bedelen.

Met een dergelijke houding gaat de kaalslag in het Surinaamse regenwoud door (denk aan de plannen van goudmijngigant Newmont uit Amerika om een grote goudmijn te exploiteren in het Nassaugebied, Oost-Suriname), blijven binnenlandbewoners ziek, worden zieker, door het gebruik van met kwik (gebruikt in de kleinschalige goudwinning) verontreinigd water uit kreken en rivieren en blijven trenzen van percelen overlopen omdat bewoners zelf hun afval er in gooien.

Biodiversiteit, het klinkt zo mooi, maar laat het meer worden dan slechts een klank. Laat de Surinaamse biodiversiteit leven in al haar vormen en schoonheid en bescherm die biodiversiteit met daden en niet met rapporten.


(Bron foto: http://www.vub.ac.be/APNA/staff/FDG/courses/TCB/TCB.html / Bron cartoon: De Parbode)


Geraadpleegde bronnen o.a.:
http://atm.gov.sr/depmilieu/NatRep.pdf
http://atm.gov.sr/depmilieu/index.php?option=com_content&view=frontpage&Itemid=1 http://www.cbd.int/ http://www.cbd.int/countries/?country=sr http://www.nederlandseambassade.sr/Nieuws/Biodiversiteit http://www.stabroeknews.com/2010/news/stories/10/13/mining-deforestation-nearly-tripled-between-2000-08-%E2%80%93wwf/

(Dit artikel is in een ingekorte versie verschenen in het decembernummer 2010 van de Parbode, Jaargang 5, Nummer 56,
http://www.parbode.com/)