Posts tonen met het label interview. Alle posts tonen
Posts tonen met het label interview. Alle posts tonen

maandag 25 februari 2013

Mangrove geen ‘wonderboom’ die de Surinaamse kuststrook kan beschermen

Surinaamse regering geeft klimaatverandering geen prioriteit in beleid

Kuststrook biedt nauwelijks bescherming tegen stijgende zeespiegel

25-02-2013  Door: Paul Kraaijer


Paramaribo - Het gemeentebestuur van Cartagena de Indias, een bestemming voor vele toeristen, aan de Caribische kust van Colombia, is haar stranden aan het verbreden ter bescherming tegen de steeds sterker wordende gevolgen van klimaatverandering, zeespiegelstijging.

Het is slechts een klein voorbeeld wat noordelijke landen van het Zuid Amerikaanse continent doen om zich tegen de gevolgen van het veranderende klimaat te beschermen. Sinds 2006 heeft Venezuela projecten in werking in het kader van klimaatverandering. Zo is er ‘Energie Revolutie’-programma om efficiënter om te gaan met stroomverbruik en het ‘Mission Tree’-programma (Misión Árbol), dat miljoenen bomen heeft gepland in een poging erosie tegen te gaan en om koolstof op te slaan. Daarnaast bestaat 70 procent van de energievoorziening in het land uit duurzame energie, zoals hydro-elektriciteit.
In Guyana wordt door het ‘Mangrove Action Committee’ het ‘Mangrove Restoration Project’ uitgevoerd om erosie van het kustgebied door zeespiegelstijging tegen te gaan. De regering van het land heeft fors in het project geïnvesteerd.

Maar, wat doet Suriname? Suriname wordt in statistieken van het Ontwikkelings Programma van de Verenigde Naties (UNDO, United Nations Development Programme) vermeld in de top tien van meest kwetsbare landen met een lage kustvlakte die deze eeuw bedreigd worden door zeespiegelstijging ten gevolge van klimaatverandering.
De zeespiegelstijging voor de Surinaamse kust veroorzaakt al zoutwaterindringing, verzilting, erosie en een verminderende biodiversiteit.

Herstel mangrovebos
Een enkel project wordt uitgevoerd, zoals het herstel van mangrovebossen in de kuststrook van Coronie. Bij dat project is onder andere betrokken de bekende hydroloog Sieuwnath Naipal, werkzaam aan de Anton de Kom Universiteit. Volgens hem is de invloed van zeespiegelstijging nu reeds zichtbaar. ‘Met de jaren zal dit steeds duidelijker worden. Zeespiegelstijging is niet een proces van jaren alleen, maar van eeuwen. Het zal ons niet met rust laten.’

Het toenmalige ministerie van Planning en Ontwikkelingssamenwerking (PLOS)  en de Anton de Kom Universiteit van Suriname waren er een paar jaar geleden van overtuigd om mangroven te planten ter bescherming van de kust tegen het stijgende zeewater. Het ministerie van PLOS financierde de eerste fase van een speciaal mangrove rehabilitatie project dat startte in januari 2010 en dat drie jaren zou duren, waarvan de universiteit de drager is. Bij het project is ook betrokken het ‘Hydraulics’ Laboratorium  van de Katholieke Universiteit Leuven (België). Gekozen werd voor de locaties Weg naar Zee (Wanica) en Moy (Coronie). Een tweede fase wordt voor een bedrag van 260.000 Amerikaanse dollar gefinancierd door de de Suriname Conservation Foundation (SCF). Het SCF zou gekloonde mangrove planten aanschaffen bovenop 228.000 planten die door het PLOS werden gefinancierd. Er werden echter, aldus het Jaarverslag 2010 van hetSCF, slechts 7.000 planten geleverd. Over de wijze van financiering wil Naipal geen uitspraken doen:  ‘Financiering is een complexe situatie. Er zijn verschillende afspraken gemaakt, omdat er ook verschillende partijen hierbij betrokken zijn en waren.'

Hij legt uit wat de verhoogde zeespiegelstijging voor gevolgen heeft voor de Surinaamse kuststrook:
‘Een van de gevolgen van de verhoogde zeespiegelstijging is kustafslag als gevolg van hoge golven. Golven worden afgebroken door de aanwezigheid van modderbanken en de mangrovevegetatie, maar op de eerste plaats door de aanwezigheid van de modderbanken. Op locaties waar geen modderbanken voorkomen hebben wij met erosie te maken. Een hogere mate van erosie komt daar voor waar de waterdiepte groot is, omdat de golven niet of nauwelijks afgebroken worden. De verwachting is dat dit wel het geval zal kunnen zijn bij een toenemende waterhoogte van de zee.’

Opmerkelijk is, dat Sieuw Naipal mangrove niet ziet als een soort ‘wonderboom’ die de kustlijn onder alle omstandigheden kan beschermen.
‘De aanwezigheid van mangrovebossen zorgt er inderdaad voor, dat energie van de golven die de kustlijn naderen, afgebroken wordt. Een golf die de kustlijn aandoet verliest zijn energie als het op de branding neerslaat en dus de kustlijn doet eroderen. Dat gebeurt niet waneer een strook mangrovebossen voor de kust staat. Mangrove moet niet gezien worden als een ‘wonderboom’, die de kustlijn onder alle omstandigheden beschermt. Ook de mangrovebossen moeten beschermd worden. Enkele mangrovebomen aan de kustlijn zullen geen soelaas bieden. Bescherm de mangrovebossen dan zullen de mangrovebossen ons beschermen.’

‘Wat wij proberen te doen is de natuur een handje helpen, de bossen proberen te beschermen. Dit kan gedaan worden, onder andere, door mangrove te planten en zo de weerbaarheid van de  mangrovebossen te vergroten, zodat er geen nettoverlies optreedt als de volgende golf van erosie zich voordoet. Een bepaalde orde van grootte mangrovestrook voor de kust is het beste middel tegen erosie. We praten dan van een groene dijk.’


 (Bron: Sieuwnath Naipal)

Maar, de dreiging van een stijgende zeespiegel door klimaatverandering blijkt vooralsnog niet op het beleidsprioriteitenlijstje te staan van de regering Bouterse-Ameerali. Het mangrove project is een van de weinige projecten, zo niet het enige, om de zeespiegelstijging aan te pakken in het Surinaamse kustgebied dat uit de koker van de overheid is gekomen.

Al in mei 2007 waarschuwde het Nationaal Instituut voor Milieu en Ontwikkeling in Suriname (NIMOS), bij monde van Nancy del Prado, projectcoördinator Klimaatverandering, voor een miljardenramp door klimaatverandering.  Uitgerekend was, dat in 2030 van de Surinaamse bevolking 82 procent geëvacueerd zou moeten worden, omdat het kustgebied van Suriname tegen die tijd zal onderlopen. Ruim 3.800 vierkante kilometer land verdwijnt dan mogelijk in zee en de economische schade daardoor werd in mei 2007 geschat op meer dan 30 miljard Amerikaanse dollar. Dit bij een zeespiegelstijging van een meter, aldus een rapport over klimaatverandering dat aan de regering zou worden overhandigd.
‘De regering moet leren plannen en het kustgebied beschermen. Door gebrek aan ruimtelijke ordening staat de kustvlakte nu onder druk. Daar bevinden zich namelijk de grootste bevolkingsconcentratie en economische activiteiten’, aldus Del Prado half mei 2007.
‘Voor ontwikkelingslanden als Suriname zijn de effecten van klimaatverandering dramatisch, omdat onze economie erg kwetsbaar is’, zo stelde Del Prado. ‘Drastische maatregelen op zeer korte termijn zijn daarom gewenst.’ Zij liet destijds al weten dat er dijken, dammen en golfbrekers aangelegd moesten worden en mangrovebossen beschermd. 
De noodkreet vanuit het NIMOS bleek aan dovemansoren gericht te zijn geweest, maar werd begin december 2010 bevestigd door een studie van CARICOM en de UNDP,  ‘Modelling the Transformational Impacts and Costs of Sea Level Rise in the Caribbean’, waarin een aantal scenario’s is opgenomen waaruit blijkt, dat laaggelegen landen als Suriname, Belize en Guyana enorm veel landverlies ‘in de komende tachtig jaar bij een zeespiegelstijging van een meter’ zullen lijden. Suriname zou bij een meter zeespiegelstijging zeker honderd meter land verliezen door erosie. Volgens de studie zullen onder andere landbouwgebieden en toeristische trekpleisters als stranden en hotels verdwijnen en dat gaat leiden tot een miljardenverlies voor de landen.

In het rapport staan ook aanbevelingen voor de regeringen in de regio. Het Surinaamse kustgebied is door klimaatverandering met name kwetsbaar voor  overstromingen als gevolg van stormen, onderwater lopen van land door de zeespiegelstijging, verzilting van zoetwaterbronnen door verschuiving van de zoutwatergrens en erosie die gepaard gaat met het verlies van mangrovebossen. 

Het duurde echter tot oktober 2012 voordat er iets van actie vanuit regeringszijde werd ondernomen. Een intentieverklaring met Oostenrijk werd getekend ter financiering van herstel van de mangrovebossen aan de kust. Met Oostenrijk zou ook samengewerkt gaan worden om de gevolgen van klimaatverandering te bestuderen. Hiertoe werd een werkplan opgesteld door het Caribbean Community Climate Change Center dat voor commentaar naar het ministerie van Arbeid, Technologische ontwikkeling en Milieu werd gezonden om van commentaar te voorzien. Hoe het vandaag de dag staat met die samenwerking met Oostenrijk is niet duidelijk.

Eind 2012 bleek echter tijdens de behandeling van de begroting voor 2013 dat nauwelijks wordt geïnvesteerd in het milieu en in bescherming van het Surinaamse kustgebied. Het Assembleelid Harish Monorath van Nieuw Suriname was het enige parlementslid dat medio december in het parlement hiervoor aandacht vroeg. Hij stelde onder andere dat er niets terecht zal komen van het strategisch plan voor klimaatverandering, wanneer daarvoor dit jaar slechts een bedrag van 50.000 Surinaamse dollar wordt uitgetrokken.

Ruim een maand later, 22 januari 2013, werd bekend dat het Nationaal Coördinatie Centrum voor Rampenbeheersing (NCCR) gebieden die risico lopen bij klimaatverandering, in kaart gaat brengen. Beter laat dan nooit, moet het NCCR gedacht hebben. Jerry Slijngard, hoofd van het NCCR, zei dat zijn organisatie voorbereid moet zijn op veranderende natuuromstandigheden. Een understatement. Het land moet voorbereid zijn op die veranderende natuuromstandigheden. ‘Het is bekend, dat het hele kustgebied van Suriname bij zeespiegelstijging in gevaar komt. Het moet niet worden uitgesloten dat de omvang en gevolgen van onder andere rivieroverstromingen zullen toenemen’, zo liet Slijngard weten. Het NCCR gaat, met financiële steun van de overheid en de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank, risicogebieden in kaart brengen en op zogenoemde ‘cruciale plekken’ worden waterstandsmeters geplaatst.  

Naipal laat echter in een reactie weten dat die risicogebieden al ‘relatief goed in kaart’ zijn gebracht. ‘Zie hiervoor de ‘First National Communication’. Het is een verslag dat Suriname moet doen naar de UNFCCC toe (United Nations Framework Convention on Climate Change) en is te downloaden van de website. De hele kust van Suriname is in dit boekwerk als kwetsbaar genoemd’, aldus de hydroloog.

Klimaatverandering waardoor?
De temperatuur op aarde is voor een belangrijk deel afhankelijk van de aanwezigheid van broeikasgassen, zoals waterdamp, kooldioxide en methaan, in de atmosfeer. Deze stoffen houden de warmtestraling van de aarde gedeeltelijk vast, de zogenoemde broeikaswerking. Zonder het broeikaseffect zou de temparatuur op aarde gemiddeld negatief 18 graden Celsius zijn.
De gasvormige laag, waarmee de aarde wordt omringd, wordt de atmosfeer of de dampkring genoemd. De atmosfeer is 700 kilometer dik en bestaat uit verschillende lagen. Voor de aarde zijn van belang de Troposfeer en de Stratosfeer. De atmosfeer bestaat uit verschillende gassen: het grootste gedeelte bestaat uit stikstof (78,2 %) en zuurstof (20,9%). Voor de overige 0,9% bestaat de atmosfeer uit onder andere argon, kooldioxide, neon, helium, methaan, waterstof en ozon. De belangrijkste broeikasgassen zijn waterdamp, koolstofdioxide , methaan, stikstofmonoxide of lachgas en ozon.

De zon verwarmt de aarde en een deel van de zonnestralen warmt de aardbodem en de zeëen en oceanen op. Een ander deel wordt teruggekaatst in de dampkring of atmosfeer. Hier bevinden zich de broeikasgassen die als het ware een warme deken om de aarde leggen. Ze zorgen ervoor dat de warmte uit de teruggekaatste zonnestralen wordt vastgehouden. De opwarmende werking van deze deken wordt het natuurlijke broeikaseffect genoemd.
Menselijke activiteiten, zoals de uitstoot van broeikasgassen en ontbossing, zijn in belangrijke mate de oorzaak van de warmer wordende wereld. Van de broeikasgassen draagt CO2 voor meer dan 60 % bij aan de menselijke beïenvloeding van het klimaat. CO2 komt vrij bij de verbranding van fossiele brandstoffen zoals olie, kolen en gas en bij ontbossing.
Dit versterkte broeikaseffect kan een wereldwijde klimaatverandering tot gevolg hebben. Wetenschappers voorspellen een temperatuurstijging op aarde aan het eind van de 21ste eeuw met 1,4 tot 5,8 graden Celsius. In de 20ste eeuw is de wereldgemiddelde temperatuur met 0,6 graden toegenomen; een opwarming die zich waarschijnlijk de laatste duizend jaar niet heeft voorgedaan.  De Verenigde Naties verwachten dat klimaatverandering gedurende de 21ste eeuw zou kunnen zorgen voor grote overstromingen (door de zeespiegelstijging als gevolg van de stijging van de temperatuur waardoor kuststreken en laaggelegen landen zullen overstromen), extreme weersomstandigheden, droogte en ongeschiktheid van de landbouwgrond (door de temperatuurstijging vindt er meer verdamping plaats met als gevolg meer neerslag; dit zorgt voor meer afstroming, de regen neemt dan meer voedingsstoffen uit de bodem, waardoor de bodem minder vruchtbaar wordt). Bestaande ecosystemen als koraafriffen, mangrovemoerassen en lagunes zullen verdwijnen. En ja, ook voor Suriname heeft klimaatverandering gevolgen.

zondag 22 juli 2012

Stroperigheid rond implementatie grondconversie

Grondconversie komt moeizaam van de grond

22-07-2012  Door: Paul Kraaijer  (SurGoed Magazine, juli 2012)


Via speciale wetgeving hebben Surinamers sinds mei 2010 de mogelijkheid gekregen om percelen van maximaal 2.500 vierkante meter die ze in grondhuur of erfpacht hebben tot hun eigendom te maken door grondconversie. Dat klinkt mooi, om na vele jaren eigenaar kunnen worden van het perceel waar je al jarenlang woont. Toch blijken nog maar weinigen er gebruik van te maken Wat is de oorzaak hiervan?


(Bron foto: eigen foto Kraaijer)

We vroegen het aan notaris mr. Jennifer Vishnudatt. Notarissen hebben een belangrijke rol in het conversie-project. Grondconversieverzoeken kunnen door een notaris worden opgemaakt en ingediend. "Het ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer (ROGB) heeft de notarissen geïnformeerd over de grondconversie zodat zij burgers goed kunnen helpen om de grondconversie soepel te laten verlopen”, vertelt Vishnudatt.

"Wij notarissen werken volgens de richtlijnen die wij begin van  dit jaar hebben ontvangen van het Implementatie Team ter uitvoering van conversie en het ministerie van ROGB, maar het blijkt dat weinig mensen er gebruik van maken."

Voor het pilotproject zijn zes woonwijken uitgekozen: Flora-A en Flora-B, Eerste Rijweggebied, omgeving Paloeloeweg in Saramacca, omgeving Dalhberg en de Van Pettenpolder in Nickerie.

Dat nog weinig mensen gebruik maken van het conversierecht heeft er volgens haar vooral mee te maken dat zodra bekend is welk bedrag zij moeten betalen voor de conversie, men niet snel bereid is om de koop te sluiten. "Veel mensen gebruiken het geld voor aankoop van de grond liever voor andere zaken", aldus Vishnudatt. De prijs die de bewoners moeten betalen, de zogenaamde conversieprijs, is het verschil tussen de grondhuurwaarde en de marktwaarde. Om die waarde te bepalen moet eerst in alle districten de markt- en grondhuurwaarde van percelen worden vastgesteld. De overheid gaat dit jaarlijks doen.

Vishnudatt: "De grondprijzen verschillen sterk per gebied. Betaal je in Para voor een vierkante meter tussen de 18 en 30 Surinaamse dollar, in de omgeving van de 1e Rijweg-Zorg en Hoop zijn er percelen met een prijs die varieert tussen de 70 en 150 Surinaamse dollar per vierkante meter."

Volgens Vishnudatt kunnen mensen met eenvoudige zaken, zonder boedelzaken of hypotheek, rechtstreeks naar ROGB om een eigendomsakte te verkrijgen. Wat ingewikkelder gevallen kunnen bij een notaris terecht. De minister wil vooralsnog niet dat de notaris een eigendomsakte laat passeren. Vishnudatt: "Het is de bedoeling dat de ROGB-minister een volmacht verstrekt aan de notaris om de overdrachtsakten namens hem te kunnen tekenen ofwel passeren. De vorige minister van ROGB was nog niet zo ver om een dergelijke volmacht uit te brengen. Er werd gekeken naar andere mogelijkheiden dan een volmacht, maar nu er een nieuwe minister is, wachten wij af wat hij hierover zal beslissen. Voorlopig begeleiden wij de cliënten met het opmaken en indienen van de verzoekschriften van conversie."

Moeizame start
De zogeheten ‘Conversie Wet voor Domein Grond’ (aangenomen in 2003) is in mei 2010 in werking getreden, na een voorbereiding van zeven jaar door de minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer (ROGB) in de vorige regering, Michael Jong Tjien Fa. Vanaf het begin is er kritiek geweest dat te weinig bekendheid aan de wet werd geggeven. In augustus 2011 moest de minister van ROGB, Simon Martosatiman, erkennen dat conversie van grondhuur- en erfpachttitels naar eigendom bij de start nog niet landelijk zou kunnen plaatsvinden. Achter de schermen werd namelijk nog druk gewerkt aan het conversieproject, maar ook aan de Wet Verkoop Domeingrond die door een speciale commissie werd voorbereid. Het ministerie was er nog niet klaar voor.

Eind oktober 2011 maakte de regering Bouterse-Ameerali bekend dat ze verwachtte 100 miljoen Surinaamse dollars te zullen gaan verdienen bij het omzetten van grondhuur en erfpacht naar eigendom. Het ministerie van ROGB wilde nog in 2011 met het plan beginnen.

In maart van dit jaar bleek echter dat het ministerie nog bezig was met de laatste technische werkzaamheden voor de start van de grondconversie. ROGB was nog bezig met het voeren van overleg met banken die de financiering voor aanvragers gaan verzorgen. Ook zou het ministerie gesprekken houden met notarissen inzake wet- en regelgeving. Daarnaast werd binnen het ministerie druk gewerkt aan het opzetten van een speciale afdeling voor conversie en aan het versterken van enkele ministeriële afdelingen.

Het hoofd voorlichting van het ROGB verklaarde tegenover journalisten dat de conversie uiterlijk begin april zou beginnen. Via een speciale mediacampagne zou bekend worden gemaakt wanneer de conversieverzoeken bij ROGB kunnen worden ingediend.

Het was begin juni niet duidelijk hoe het loopt met de conversie-aanvragen bij het ministerie van ROGB. Zowel het ministerie als de heer R.J.S. Kensenhuis van het Implementatie Team ter uitvoering van conversie van dit ministerie waren niet bereikbaar voor een reactie.

vrijdag 14 oktober 2011

Bioloog Jan Mol vecht tegen komst bauxietmijn Suralco/Alcoa op Nassau Plateau - Unieke biodiversiteit wordt ernstig bedreigd

Suralco gaat bauxiet mijnen in uniek gebied – Overheid reageert niet op pleidooi Mol – Niets staat Suralco in de weg

14-10-2011 Door: Paul Kraaijer


Paramaribo – Bioloog Jan Mol, professor in aquatische ecologie aan de Anton de Kom Universiteit in Paramaribo (Suriname), tracht al een paar jaren tevergeefs gehoor te krijgen bij de Surinaamse overheid om geen bauxietwinning toe te staan in het in Oost-Suriname gelegen Nassau Gebergte. Het bauxietbedrijf Suralco, dochteronderneming van de Amerikaanse multinational Alcoa, heeft ver gevorderde plannen voor een bauxietmijn op het Nassau Plateau in het gebied met een rijke en unieke biodiversiteit.

De Nederlandse bioloog die al sinds 1987 in dienst is van de universiteit, heeft alle reden voor bezorgdheid. De komst van een bauxietmijn en alle bijbehorende infrastructuur in het Nassau Gebergte (de Nassau concessie is 8.300 hectare groot waarvan zo’n 1.000 hectare bauxiet bevat) zal desastreuze gevolgen hebben voor de unieke flora en fauna van dat gebied. En Jan Mol, visdeskundige, kan het weten. In 1995 promoveerde hij aan de Universiteit van Wageningen, Nederland, op een proefschrift over de ecologie van drie pantsermeervallen in Suriname. Tien jaren later, in 2005, nam hij deel aan de zogenoemd Rapid Assessment Program (RAP) expeditie van de natuurbeschermingsorganisatie Conservation International. Tijdens die expeditie van diverse internationale biologen werden in het Nassau Gebergte ruim twintig nieuwe diersoorten ontdekt, waaronder de ‘Harttiella crassicauda’ (een pantsermeervalsoort ; een Nederlandse naam is er nog niet) die alleen voorkomt in de Paramakakreek en de paarse fluoriscerende Atelopuskikker. Door de unieke vondst werd Suriname even wereldwijd voorpaginanieuws. De expeditie werd gevolgd door vele onderzoeken en studies aan de Anton de Kom Universiteit en in Zwitserland in het Museum d’Histoire Naturelle in Genève en aan de Universiteit van Genève.

Harttiella crassicauda:
Trond Larsen (met dank aan Jan Mol)

Hoofdpijn
Jan Mol: “Ja, het Nassau Gebergte is een grote hoofdpijn voor mij en dan vooral de geplande Suralco bauxietmijn die het plateau zelf zal vernietigen.” Hij is niet te spreken over het feit dat de Surinaamse overheid nauwelijks reageert op de aangekondigde plannen van Suralco in het gebergte. Maar, dat geldt volgens Mol ook voor de zwijgende natuurbeschermingsorganisaties Conservation International Suriname en het Wereld Natuur Fonds Guianas. “Suralco gaat maar door met haar voorbereidingen, dit terwijl haar door het Amerikaanse bureau Environmental Resources Management (ERM, gevestigd te Annapolis, Maryland) uitgevoerde Milieu- en Sociale Effecten Analyse, ESIA, voor wat betreft vissen, precies heeft aangetoond wat we al wisten van de Conservation International-RAP, namelijk dat het om een bijzonder gevoelig gebied gaat met endemische soorten”, aldus Mol. Natuurlijk rijst meteen de vraag hoe objectief en onafhankelijk een bureau kan zijn dat door Suralco zelf is ingeschakeld om een soort Milieu Effect Rapportage uit te voeren. Overigens was de visdeskundige in december 2008 zelf door de Amerikanen benaderd om het vis-aquatisch ecologisch onderzoek te verrichten. Mol ging daar echter niet op in en adviseerde ERM om contact op te nemen met visdeskundigen van het Natuur Historisch Museum in Genève en de Universiteit van Genève. Deze deskundigen waren juist gespecialiseerd in pantsermeervallen, waartoe de ontdekte visjes in het Nassau Gebergte behoren. In eerste instantie ging ERM in zee met de Genève-deskundigen, maar op een moment werd besloten – zonder overleg met de Zwitserse visdeskundigen – om het onderzoek verder te laten verrichten door de bekende Amerikaanse visdeskundige Jonathan Armbruster die echter geen kennis heeft van Surinaamse vissen. De Zwitsers reageerden in mei 2010 woedend naar ERM en spraken hun zorg uit over de uitkomsten van het visonderzoek binnen de Nassau ESIA. Mol: “We kunnen niet alle resultaten van de ESIA vertrouwen, bijvoorbeeld van de tweede Harttiella soort die zou zijn ontdekt. In 2010 heb ik geklaagd bij het Nationaal Instituut voor Milieu en Ontwikkeling in Suriname, NIMOS, dat de vissenstudie van de ESIA niet goed werd gedaan.”

Suralco/Alcoa bewust van 'positie' Mol
In een reactie laat Indre Ori, Feasibility Study Manager bij Suralco/Alcoa, weten dat de Milieu en Sociale Effecten Analyse inmiddels is afgerond. Ori: “Het concept rapport is echter pas in november 2011 beschikbaar. Deze studie is volledig onafhankelijk uitgevoerd en worden gepresenteerd aan het publiek in de openbare vergadering waarin de resultaten zullen worden gepresenteerd na ontvangst van het concept rapport. De naar voren gebrachte punten van bioloog/visdeskundige Jan Mol zijn volledig meegenomen in de ESIA en hebben er mede toe geleid dat additionele onafhankelijke deskundigheid uit Australie is toegevoegd aan het ESIA team van ERM.” Volgens Ori is Suralco/Alcoa zich bewust van ‘de positie van dr. Mol’ inzake de voorgestelde Nassau Plateau mijn. “ERM’s aquatisch ecoloog en de ESIA project manager hebben persoonlijk met de heer Mol gediscussieerd over zijn visie op het project en we hebben hem onze bevindingen over de aquatische ecologie van het Plateau voorgelegd. ERM realiseert zich dat het Nassau Project zekere risico’s met zich mee kan brengen voor de ecologie van het Plateau en het bureau werkt nauw samen met Suralco’s mijningenieurs om zich ervan te verzekeren dat die risico’s worden vermeden en geminimaliseerd in gevallen waar ze niet kunnen worden vermeden.” Het Biologisch Management Plan dat deel uitmaakt van de ESIA bevat volgens Ori verschillende maatregelen om de flora en fauna van het Nassau Plateau te beschermen. “Het deel van het Plateau waar de Atelopuskikker en de Harttiella crassicauda leven zal een biologisch reservaat voor deze species worden. Ook zullen mijnbouwtechnieken worden ontwikkeld om de grootte van het gebied dat door de activiteiten verstoord gaat worden te minimaliseren”, aldus de Feasibility Study Manager.
Jan Mol ziet echter niet in ‘hoe ze in een gebied van twintig bij twintig vierkante kilometer kunnen mijnen zonder de waterkwaliteit in de centrale kreek, Paramakakreek, te bederven en de waterkwantiteit in de droge tijd te verlagen doordat de bauxietspons wordt verwijderd’. Daarenboven speelt nog een andere kwestie volgens de Nederlandse bioloog: “Er is ook nog een kwestie van een begraafplaats van de Paramakaners die aan de monding van de Paramakakreek is gelegen en onder water zal komen te staan bij verhoogde afvoer in de regentijd. De bauxietspons houdt dan het water niet meer vast, omdat die is verwijderd. Die begraafplaats is slechts meters van de kreek verwijderd”.

Overheid reageert niet
Al in februari 2009 sprak Mol in een open brief tegenover onder andere de toenmalig president van Suriname, Ronald Venetiaan, enkele betrokken ministers, het NIMOS, Conservation International Suriname en het Wereld Natuur Fonds Guiana, zijn zorgen uit over de plannen van Suralco en de dreigende vernietiging van de flora en fauna in het Nassau Gebergte. Hij verwees onder andere naar een resolutie uit juni 2008 van de ‘Association for Tropical Biology and Conservation’ (ATBC), opgesteld tijdens een bijeenkomst te Paramaribo, waarin internationale ecologen en biologen hun bezorgdheid uitten over de mijnbouwplannen in het Nassau Gebergte. De ATBC stelde de Surinaamse regering voor om van het Nassau Gebergte een beschermd natuurgebied te maken. Een reactie van de regering bleef uit. Marilyn Norconk, antropologe verbonden aan de Kent State Universit (VS), één van de ondertekenaars van de ATBC-resolutie, toonde zich eveneens teleurgesteld in het Surinaamse milieubeleid. “We wisten in 2007 al dat er mijnbouwconcessies waren verstrekt voor het Nassaugebied. Desondanks hoopten wij dat ATBC in staat zou zijn om de regering te bewegen een andere kijk te krijgen op het afgeven van mijnbouw- en houtkapconcessies in dat gebied. Het is een groeiend, serieus probleem dat nog steeds te weinig aandacht krijgt van de Surinaamse regering,” aldus Norconk in januari 2010.
Jan Mol laat weten ook nimmer een reactie te hebben ontvangen op zijn brief van februari 2009. Dat stilzwijgen van de zijde van de regering is veelzeggend. Kennelijk wil men niet teveel ‘gedoe’ rond de plannen van Suralco. Het lijkt er welhaast op dat die bauxietmijn er koste wat het kost moet gaan komen.

Paramakakreek
In hetzelfde jaar werd een aantal kritische ingezonden artikelen van Mol over de bauxietmijnplannen van Suralco/Alcoa gepubliceerd in de Surinaamse krant De Ware Tijd. Zo schreef hij op 20 maart van dat jaar onder andere het volgende:
‘In 2005 heeft Conservation International een expeditie georganiseerd naar het Nassau- en Lely Gebergte om de grotendeels onbekende fauna van deze plateaus te bestuderen. De vegetatie van deze gebergtes was een paar jaar eerder reeds bestudeerd door de Universiteit van Utrecht en het herbarium van de Anton de Kom Universiteit van Suriname. In een klein kreekje boven op het Nassau Plateau werd door Conservation International een bijzonder visje (Harttiella crassicauda, een miniatuur familielid van de warawara en libakwi) verzameld, voor het eerst na de ontdekking van deze soort in 1949. Sinds de ontdekking van dit kleine visje in het Nassau Gebergte hebben wetenschappers gedacht dat Harttiella crassicauda een oude soort was, die zelfs de voorouder zou kunnen zijn van een grote onderfamilie van harnasmeervallen met een afgeplatte staart. Aangezien de Mining Joint Venture BHP-Billiton/Suralco belangstelling had om in het Nassau Gebergte eventueel bauxiet te mijnen, heeft BHP-Billiton een vervolgexpeditie van de Anton de Kom Universiteit naar het Nassau Gebergte gefinancierd om meer informatie te verzamelen over de habitat en de verspreiding van dit visje in het Nassau Gebergte. Tijdens deze tweede expeditie in 2006 werd niet alleen vastgesteld dat het visje Harttiella crassicauda alleen voorkomt in de bovenloop van de Paramakakreek ('IJskreek' en andere zijtakken van Paramakakreek, maar niet in andere kreken in het Nassau Gebergte), maar werden ook vier nieuwe vissoorten verzameld alsook een nieuwe Atelopuskikker met prachtige, felpaarse tekening. (...) De bijzondere, endemische vissoorten van het Nassau Gebergte zijn slechts bekend van één kreek, de Paramakakreek. De Paramakakreek is gelegen in de centrale vallei tussen de twee benen van het U-vormig Nassau Plateau. De zijtakken van de Paramakakreek (waaronder IJskreek) ontspringen in het noorden, westen en zuiden op het bauxietplateau. Het bauxietgesteente is poreus en heeft een sponswerking: in de regentijd wordt het regenwater opgezogen in de bauxiet 'spons' (aquifer) en vervolgens wordt het water in de droge tijd weer langzaam afgegeven aan de zijkreekjes van de Paramaka kreek. De bauxiet 'spons' zorgt er dus voor dat de Paramakakreek het gehele jaar door helder, stromend water heeft.’

Klein Duimpje tegen de Reus
Inmiddels is het oktober 2011 en Suralco gaat onverminderd door met haar voorbereidende onderzoeksactiviteiten op het Nassau Plateau. Het lijkt de strijd van Klein Duimpje tegen de Reus, bioloog Jan Mol tegen bauxietgigant Suralco/Alcoa, maar Mol laat zich niet zo snel uit het veld slaan en blijft zich inspannen om de komst van een bauxietmijn in Oost-Suriname te voorkomen, misschien tegen beter weten in.
Mol: “Recentelijk, op 11 juli 2011, heb ik nog eens een brief geschreven aan minister Ginmardo Kromosoeto van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu (ATM), en ik heb ook met drs. Ellen Naarendorp, een belangrijke adviseur van president Desi Bouterse, gesproken. Zij had de neiging te gaan schipperen, maar dat kan juist niet, het gebied is te klein en de bauxiet-spons is een essentieel onderdeel van het aquatische ecosysteem, omdat het als een aquifer dient die de kreken in de droge tijd van water voorziet. Zonder de bauxiet vallen de kreken droog en sterven de visjes uit.”

Volgens Mol is het volstrekt ‘duidelijk dat die bauxietmijn er niet moet komen, maar ook is duidelijk dat Suralco zich niets aantrekt van milieu issues. Dat zou het bedrijf toch moeten doen, want hun naam gaat er aan als die nieuwe diersoorten uitsterven.’ Mol: “Het is jammer dat BHP-Billiton weg is, daar viel volgens mijn nog mee te praten. Dat bedrijf heeft destijds ook de beslissing genomen om Nassau niet te mijnen en daar was Suralco het toen mee eens, maar een half jaar later bleek Suralco honderd procent te zijn omgeslagen. Waarom is me nooit duidelijk geworden.”
Dat het milieu nauwelijks belangstelling heeft binnen Suralco/Alcoa, wordt bevestigd op de eigen website waar feitelijk maar in één zin aandacht wordt besteed aan dit onderwerp: ‘Terwijl Suriname nu hoopt haar schoonheid in de toekomst met de wereld te delen, zal Alcoa doorgaan met het leveren van banen, gemeenschapsontwikkeling en houdbare energie, terwijl het tegelijkertijd een uniek en onschatbaar landschap helpt bewaren en bevorderen.’

Brief aan ATM-minister
De drie pagina’s tellende brief van Mol aan de minister van ATM is een gloedvol en goed onderbouwd betoog om de bewindsman duidelijk te maken dat een bauxietmijn op het Nassau Plateau desastreus zou zijn voor de unieke flora en zeldzame fauna. Mol schrijft onder andere: ‘Ik denk dat er nu voldoende wetenschappelijk onderbouwde informatie beschikbaar is om een voorstel tot het instellen van een natuur reservaat in het Nassau Gebergte in overweging te nemen, gebaseerd op de unieke biodiversiteit (Harttiella en ander endemische vissoorten, de Atelopuskikker, etc.), een exeptioneel mooie natuur/landschap, belangrijke wetenschappelijke vragen op gebied van evolutie, biogeografie en geografie en mogelijkheden voor educatie/toerisme. Om een dergelijk voorstel naar Suralco toe te verantwoorden zou U in overweging kunnen nemen een economisch/ecologische analyse van de korte/lange termijn kosten/baten van het bauxietmijn project voor het land Suriname te laten uitvoeren.’ In de brief benadrukt Mol ook weer dat de geplande bauxietmijn voor slechts een relatief korte periode van vijf tot zeven jaar bauxiet kan leveren aan de fabriek te Paranam.

Nassau: Adrian Flynn (met dank aan Jan Mol)

Maar, ook op deze brief heeft Jan Mol nog geen reactie mogen ontvangen. Het lijkt erop dat de gedreven bioloog/visdeskundige een roepende in de woestijn is. Hij vindt geen gehoor bij de Surinaamse overheid en zelfs niet bij natuurbeschermingsorganisaties. De Surinaamse biodioversiteit is kennelijk ondergeschikt aan de belangen van kapitaalkrachtige mijnbouwondernemingen. De rol en positie van lokale natuurbeschermingsorganisaties in deze kwestie kan op zijn zachtst gezegd bedenkelijk worden genoemd. In allerlei internationale politieke en maatschappelijke overlegstructuren schermen vertegenwoordigers van de Surinaamse overheid met het natuurschoon van hun land en dat Suriname zo goed zou presteren als het gaat om het behoud van het tropisch regenwoud. Ondertussen krijgen internationale multinationale mijnbouwondernemingen ruimschoots en ongehinderd de gelegenheid om de Surinaamse biodiversiteit aanzienlijke schade toe te brengen.

Transportweg
Suralco heeft inmiddels aangekondigd in maart 2012 te beginnen met de aanleg van een honderddertien kilometer lange transportweg tussen de Nassau Bauxietmijn op het Nassau Plateau en de aluinaarderaffinaderij te Paranam. Om de aanleg te kunnen realiseren zullen ruim dertig plantages op de linkeroever van de Surinamerivier moeten wijken. Suralco/Alcoa wil de eigenaren 700 Amerikaanse dollar per hectare betalen. Slechts zeven plantages gaan hiermee akkoord. Met de overige plantages voert de bauxietmaatschappij nog besprekingen.
“In maart 2012 zal de zogenoemde Feasibility Study van de plannen voor de mijn worden afgerond”, aldus Feasibility Study Manager Indre Ori. “De studie over de haalbaarheid is dus in volle gang, het project heeft meerdere uitdagingen die zeer nauwkeurig onderzoek en analyse vergen. Pas als de Feasibility Studie is afgerond en het alle fasen van het "Alcoa Stage Gate process" heeft gepasseerd en van Alcoa authorisatie is ontvangen voor de investeringen zal het bekend zijn of er een project is of niet.”
Op de vraag waarom niet als alternatief gemijnd gaat worden in het Bakhuis Gebergte in het westen van het land, reageert Indre Ori dat een Bakhuis bauxietmijn geen levensvatbaar alternatief is voor het Nassau Plateau. “Uit onderzoek dat een aantal jaren geleden werd uitgevoerd in opdracht van Suralco/BHP Billiton, bleek dat de impact van een mijn te groot zou zijn op de waterkwaliteit, de aquatische ecologie en waterbronnen. Maar, er waren ook zorgen over de veiligheid langs de rivieren die gebruikt worden voor visserij en goederentransport en over de veiligheid op de wegen door toenemend verkeer. In 2009, na jaren van studie, werd besloten dat het Bakhuis Project niet economisch rendabel zou zijn vanwege onder andere hoge transportkosten. Er zijn nog steeds onderzoeken naar alternatieven voor het Bakhuis Gebergte, maar op het moment is een Bakhuis bauxietmijn voor ons niet haalbaar.”

De macht van mijnbouwmultinationals als Suralco/Alcoa is groot. Niets houdt het bedrijf tegen om op het Nassau Plateau een bauxietmijn te gaan ontwikkelen ten koste van haar unieke biodiversiteit - ondanks te nemen beschermende maatregelen - , ook Jan Mol niet.

Noot Kraaijer:
Het volledige artikel is 14 oktober gepubliceerd op de Surinaamse nieuwswebsite NoSpang en op 23 oktober op de website Suriname Stemt.
Het NIMOS reageerde alsnog - bij monde van Marjory Danoe-Alimoenadi, 'Field Officer, Environmental and Social Assessment Office' - op 24 oktober in antwoord op de vraag wat de NIMOS-richtlijnen zijn voor het uitvoeren van een Milieu Effecten Analayse alsvolgt:
' - Nimos Richtlijnen zijn richtlijnen voor de uitvoering van milieu effecten analyse (MEA) en zijn te koop voor 50 srd of ter inzage liggen maar niet te copieren bij ons;
- informatie hieromtrent kunt u ook vinden op onze website
www.nimos.org.'

Kortom, inhoudelijk wil het NIMOS niet reageren.

12  januari 2012:
Tot mijn stomme verbazing kom ik er vandaag bij toeval achter dat op 5 november 2011 dit artikel gepubliceerd is in het Nederlands Dagblad. Dat is gebeurd zonder vooroverleg met mij. Het artikel is aanzienlijk ingekort en enige vergoeding is achterwege gebleven. Natuurlijk heb ik een boze email naar de redactie gestuurd en gevraagd om toezending van een pdf-file van het artikel (via de website moet je er voor betalen om het artikel te kunnen lezen!) en om uitbetaling van de vergoeding!
http://www.nd.nl/artikelen/2011/november/05/mol-in-de-nassaubergen

dinsdag 1 februari 2011

Paramaribo Zoo laat hoogbejaarde tijger niet inslapen - UPDATE: Zoo laat Samba alsnog op 14 november 2011 inslapen.....!!

Samba sterft rustige natuurlijke dood

01-02-2011 Door: Paul Kraaijer, De Parbode, Februari 2011, Jaargang 5, Nummer 58


Wie deze dagen de bijzondere Paramaribo Zoo bezoekt wordt geconfronteerd met een hoogbejaarde Bengaalse tijger. Bij het kleine, oude vervallen verblijf is op een bordje te lezen dat de 19 jaar oude Samba ziek is, aan ouderdomsverschijnselen lijdt, kortademig is en heel slecht eet. Verder kunnen bezoekers lezen dat de verzorger van de tijger geen voorstander is het dier in te laten slapen, omdat ‘hij de mening is toegedaan dat zolang hij (lees: Samba) nog eet, niet besmettelijk is voor de mens en de andere dieren in de Paramaribo Zoo een natuurlijke dood te prefereren is’.

Het bordje en de stil liggende tijger in zijn kooi vragen om een reactie van de directie van de dierentuin. Immers, moet hier niet een ethische discussie worden gevoerd over hoe om te gaan met zeer oude, zieke, dieren in een dierentuin? Laten inslapen ofwel euthanaseren of een natuurlijke dood laten sterven? Maar, is een veel gehoorde reactie, een bejaarde dame of heer die ernstig of ongeneeslijk ziek is laat je toch ook niet inslapen? Daarnaast is er waarschijnlijk in het geval van Samba geen sprake van ondraaglijk lijden. Voor een leek is dat natuurlijk niet te zien: Samba ligt grotendeels van de dag en als hij loopt dan is dat heel traag, haast waggelend.

Discussie
De directeur van de Paramaribo Zoo, John Altenberg, zegt in samenspraak met de verzorger en met de dierenarts van de dierentuin, Leontine Bansse-Issa, besloten te hebben om Samba een natuurlijke dood te laten sterven. Altenberg: “Ja, er is intern wel een discussie geweest over de gezondheidssituatie van Samba. Het is goed om wat tekst en uitleg te geven, omdat de meeste bezoekers de achtergrond van het dier niet kennen. Hij lijdt geen pijn en is niet ziek. Tja, op het bordje dat aan zijn verblijf hangt is helaas wel te lezen dat hij ziek is, maar dat is onjuist. Samba is gewoon oud. Kortademig is hij ook niet. Onze dierenarts behandelt hem en we hebben continu overleg met haar, ook over de voeding. De tijger wordt dus goed in de gaten gehouden.”De woorden van John Altenberg krijgen bijval van mevrouw Bansse-Issa.. “Een dier mag natuurlijk niet uitzichtloos lijden. Maar ouder worden hoort nu eenmaal bij het leven. Samba ademt al jaren iets sneller, maar is zeker niet kortademig. Op dit moment is Samba gewoon een oude tijger, maar niet stervend.”De oude tijger is wel kieskeurig geworden als het om zijn ontbijt en lunch gaat. Bansse-Issa: “Hij lust geen taai rundvlees, maar eet elke dag zijn portie van vier tot zes kippen. Ook de eetlust wordt in de gaten gehouden. Zijn gebit is nog in orde. Hij heeft perioden van stram bewegen gehad en is toen met pijnstillers behandeld. Hij is daar prima op verbeterd.” In 2009 heeft de dierenarts wel een tijger laten inslapen, een zusje van Samba. “Het dier at slecht en werd snel mager, omdat zij een tumor in haar bek had. De directie en verzorgers van de dierentuin zijn dus zeker niet principieel tegen euthanasie, maar willen dit alleen doen bij uitzichtloos lijden. Overigens zijn de tijgers in de Paramaribo Zoo de afgelopen vijftien jaar steeds ouder dan zestien jaar geworden en dan doen zogenoemde ouderdomsverschijnselen zich voor en hebben de dieren geriatische zorg nodig.”, aldus mevrouw Bansse-Issa.



De Rotterdamse dierentuin Diergaarde Blijdorp onderhoudt al vele jaren goed contact met de dierentuin van Paramaribo. Directeur Marc Damen heeft begrip voor de beslissing om Samba van zijn oude dag te laten genieten en om het dier niet te doden. Damen: “Het is voor mij niet mogelijk om een oordeel te vellen over Samba in de Paramaribo Zoo. Ik ben nooit in deze dierentuin geweest, ken het verblijf en de situatie en de casus niet. Maar, ik vertrouw op de deskundigheid van de verzorgers, directie en dierenarts van de Paramaribo Zoo dat ze lijden van het dier voorkomen. In een dierentuin willen we niet alleen maar dieren in topconditie laten zien, maar krijgen dieren ook de gelegenheid om hun oude dag door te brengen. Het feit dat een dier oud en de dagen wellicht moe is, wil nog niet zeggen dat we het dan maar op moeten ruimen. Op het moment dat een dier echter gaat lijden, is dat wel een moment om een dier uit lijden te verlossen.”Volgens Marc Damen laat ook zijn Diergaarde Blijdorp dieren bij voorkeur een natuurlijke dood sterven, als het dier niet lijdt. “Het is een ethische discussie, maar we vinden het respectvol naar het dier en daarnaast hoort de dood bij het leven en daar hoeven we ons niet voor te schamen en dat strikt achter gesloten deuren te laten plaatsvinden.”, aldus Damen.

Deskundige
Een Amerikaanse tijgerdeskundige denkt er echter anders over. Allereerst wil Ronald Tilson, een van de directeuren van de Minnesota Zoo en coordinator van het ‘Species Survival Program’ van de Amerikaanse Vereniging van Dierentuinen en Aquaria, benadrukken dat Samba geen volbloed Bengaalse tijger is. “Buiten de Bengaalse tijgerlanden India, Nepal en Bangladesh, zijn nauwelijks Bengaalse tijgers te vinden. De meesten zijn zogenoemde hybriden, kruisingen tussen twee verschillende soorten, en hun herkomst is veelal onbekend.”Over Samba zegt hij verbaasd te zijn over zijn hoge leeftijd. “Samba is behoorlijk oud, de meeste tijgers gaan voor het 19e levensjaar dood, een enkele wordt ouder maar alleen met goede zorg van een dierenarts. Aan een tijger is trouwens niet te zien of hij pijn lijdt. Tijgers lijden in solitaire stilte.” De Amerikaan laat doorschemeren niet tegen het laten inslapen van Samba te zijn. “Behoedt de oude jongen voor meer pijn. Als hij slecht eet en zich niet meer zo vrij kan bewegen dan is er iets goed mis.”De hoge leeftijd van de tijgers in de Paramaribo Zoo door de jaren heen duidt er op dat de dieren de vele jaren van ‘opsluiting’ in de dierentuin in alle opzichten goed zijn verzorgd en het goed hadden en nog steeds hebben. In het wild leven de dieren meestal een paar jaren korter dan de 19 jaren van Samba. Op dit moment zouden zich overigens wereldwijd rond de 210 Bengaalse tijgers in dierentuinen bevinden. In het wild gaat het bijzonder slecht met deze tijgersoort.
Bedreigd
Volgens een door het Wereld Natuur Fonds in januari 2010 uitgebracht persbericht zouden er wereldwijd slechts zo’n 3200 Bengaalse tijgers in het wild leven. Zeventig jaar geleden leefden er alleen al in India nog rond de 30.000 Bengaalse tijgers. Het dier is dan ook door International Union for Conservation of Nature (IUCN) op haar ‘Red List’ van bedreigde diersoorten geplaatst.

Samba bevindt zich nog in gezelschap van zijn broertjes Joris en Jeltsin, die zich wel in een ander verblijf bevinden. Altenberg: “Alle tijgers in de dierentuin zijn geboren uit een stel dat jaren geleden vanuit Amerika is gekomen. Ik weet niet precies meer uit welke dierentuin. Uit angst voor inteelt werd vrij snel besloten, na overleg met de Amerikanen, om alle tijgers te castreren en te steriliseren. Samba heeft namelijk ook nog twee zusjes gehad. Daarvan is een aan kanker overleden toen zij zestien was en de andere zus is op tienjarige leeftijd overleden.”


De directeur van de dierentuin spreekt bewogen. Het is een man die duidelijk begaan is met het ‘lot’ van zijn dieren. Van bijna ieder dier kent hij de geschiedenis. Zo is hij verzot op zijn Braziliaanse reuzenotter Terry.
Dit dier is ooit als baby ergens in Saramacca gevonden, door iemand bij de dierentuin afgegeven en terechtgekomen in het kantoor van Altenberg. Met de hand heeft hij het dier grootgebracht, vooral met veel pap. Dan is er het verhaal van de miereneter die als jong door iemand van de rug van de moeder werd gehaald. De moeder werd namelijk ‘gekapt’: zijn staart moest het ontgelden, waarna het dier overleed. Elk dier in de diereentuin heeft zijn eigen verhaal.

Vernieuwingen
Altenberg neemt van de gelegenheid gebruik om ook nog even te wijzen op de staat waarin de Paramaribo Zoo verkeert. “Vijf jaar geleden was de dierentuin eigenlijk niet om aan te zien. Langzamerhand worden meer en meer dierenverblijven vernieuwd. Er is al een schitterend apeneiland gebouwd voor de slingerapen, een mooi verblijf voor anaconda’s en er wordt nu gewerkt aan een nieuw apenverblijf. Maar er is nog een lange weg te gaan. In de planning zitten onder andere nog een nieuw verblijf voor de Braziliaanse, populaire met een kalebas voetballende reuzenotter, en een nieuw onderkomen voor de miereneters.”Hij vervolgt enthousiast: “Je stelt prioriteiten en je moest dus beoordelen wat het meest urgent aan vernieuwing toe is. Maar, belangrijk is absoluut ook dat de dieren op een fatsoenlijke wijze te eten krijgen. De dieren krijgen hier het beste van het beste.”Samba krijgt in zijn laatste levensfase ook het beste van het beste en kan in alle rust op ieder moment zelf inslapen op een natuurlijke wijze..... Wanneer Samba is overleden dan wordt hij - als er nog genoeg ruimte is op de eigen dierenbegraafplaats in de Paramaribo Zoo - begraven. Mocht die ruimte onvoldoende zijn dan wordt het dier gecremeerd.

(Bron foto's: eigen foto's Kraaijer)

(Dit is de originele versie van het in het februarinummer 2011 van de Parbode - http://www.parbode.com/ - verschenen artikel.)

Geraadpleegde bronnen o.a.:
http://www.worldwildlife.org/who/media/press/2010/WWFPresitem14914.html
http://www.care2.com/c2c/groups/disc.html?gpp=13579&pst=http://en.wikipedia.org/wiki/Bengal_tiger
http://www.iucnredlist.org/apps/redlist/details/136899/0
http://lynx.uio.no/lynx/catsgportal/cat-website/catfolk/tiger-08.htm
http://library.sandiegozoo.org/studbook.htm#carnivores
http://nl.wikipedia.org/wiki/Paramaribo_Zoo
http://www.aza.org/species-survival-plan-program/


Oudste Bengaalse tijger Paramaribo Zoo overleden

19-11-2011 door Bonnie van Leeuwaarde, De Ware Tijd



Paramaribo - Samba, de oudste Bengaalse tijger van de Paramaribo Zoo, is maandag overleden. Omdat de tijger al een tijdje sukkelde met zijn gezondheid, moest de dierenarts hem laten inslapen. Samba is 21 jaar geworden en was één van de oudste bewoners van de dierentuin.

Het was een moeilijke beslissing, maar ze moest genomen worden, aldus beheerder Rakesh Debisarun. “Samba leed onder zijn ouderdomsverschijnselen”, legt Debisarun uit. “Al zijn tanden waren uitgevallen waardoor hij niet goed kon eten, hij kon niet goed lopen en ademhalen ging heel moeilijk. Eén van zijn longen functioneerde niet meer goed.”

Samba kreeg speciale voeding, vlees zonder botten, en bleef de laatste tijd in zijn nachtverblijf. De leiding van de dierentuin had liever dat Samba een natuurlijke dood zou sterven en gaf hem pijnstillers. “Maar uiteindelijk hebben we toch maar besloten om hem te laten inslapen”, zegt Debisarun. “Je zag gewoon dat hij pijn had. Hij was achteruitgegaan en dat was ook aan hem te zien.”

Samba is geboren in de Paramaribo Zoo, net als zijn broertjes Boris en Jeltsin. Ook hun ouders zijn in de Zoo geboren. De eerste Bengaalse tijgers kwamen uit een Curaçaose dierentuin naar de Paramaribo Zoo. In gevangenschap worden Bengaalse tijgers ongeveer veertien jaar oud en in het wild zijn ze met uitsterven bedreigd. Boris en Jeltsin zijn de twee laatste Bengaalse tijgers van de dierentuin. Beide zijn tien jaar oud.
Samba is maandag begraven achter zijn verblijf.

Dierenverzorger Dewanand Sanchit verzorgde Samba sinds de tijger vijf jaar was. “Ik gaf hem eten, maakte zijn kooi schoon, lette op of hij ziek was en gaf hem liefde en aandacht. Het zijn wilde dieren en ze blijven agressief, maar je moet lief voor ze zijn. Nooit schreeuwen of slaan.” Een beetje verdrietig is Sanchit wel. “Maar hij heeft wel zeker vijf extra jaren gehad.” Terwijl de andere verzorgers een bloemetje op het graf legden, deed Sanchit een gebedje. “Ik heb Bhagwan gevraagd: als ik Samba niet goed heb verzorgd, dan vraag ik vergiffenis”.

Noot Kraaijer:
Eindelijk is Samba uit zijn lijden verlost. Maar, de Paramaribo Zoo blijkt wel inconsequent te zijn geweest. Begin dit jaar schreef ik voor de Parbode een groot artikel over het dier. Toen ging het al heel slecht met hem: hij at nauwelijks, was kortademig en liep niet, neen, hij waggelde. Het was zielig om te zien. Gevraagd naar waarom ze het dier niet lieten inslapen werd gereageerd, ook door de dierenarts, dat ervoor gekozen was het dier een natuurlijke dood te laten sterven. Immers, een hoog bejaard ziek mens laat je toch ook niet inslapen? Nu, is toch besloten Samba te laten inslapen.....rijst de vraag: had de zoo dat nu niet eerder kunnen doen? De tijger heeft met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijk het hele jaar geleden en bezoekers mochten daarvan 'genieten'.....

vrijdag 1 oktober 2010

Antropologe Marjo de Theije: 'Meeste garimpeiro's zijn legaal aan het werk in Suriname'


Mythes rond goudwinning

 

01-10-2010 Written by Paul Kraaijer, De Parbode, Oktober 2010, Jaargang 5, nr. 54


Surinamers weten niet beter: kleinschalige goudwinning zorgt al vele jaren voor controverses. Geschillen tussen concessiehouders, ruzies en geweld onder porknokkers in Brownsweg en Nieuw Koffiekamp, onvoorzichtig gebruik van kwik en mensen met geld en invloed in de stad (lees: Paramaribo) die op afstand trachten de touwtjes in handen te houden in hun goudmijntjes, de concessies. En dan de duizenden Brazilianen die hun geld verdienen in de sector: de zogenoemde ‘garimpeiro’s’, in de volksmond vaak als illegalen gebrandmerkt. Diverse malen opgejaagd in Clean Sweep-operaties van politie, justitie en het leger.


Antropologe Marjo de Theije, werkzaam aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, doet al enige jaren onderzoek in de kleinschalige goudwinningsgebieden. Onlangs ontving ze ruim 600.000 euro subsidie van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek in het programma Conflict and Cooperation over Natural Resources in Developing Countries (CoCooN) voor een vergelijkend onderzoek naar kleinschalige goudwinning in vijf Amazonelanden, waaronder Suriname. In samenwerking met lokale partners, ngo’s en overheden, zullen in dat project de (potentiële) conflicten tussen lokale bevolkingsgroepen, ondernemers in goud, en migranten gouddelvers, bestudeerd worden. Daarbij wordt speciaal aandacht besteed aan de verschillende nationale wetgevingen en beleid van de overheden, zowel om de sector te ordenen en conflicten te hanteren, alswel ten aanzien van de milieuschade die door de kleinschalige goudwinning wordt veroorzaakt. Kortom, spreek je over de controversiële kleinschalige goudwinning in Suriname, dan moet je praten met Marjo de Theije.

We ontmoeten Marjo op haar werk bij de Vrije Universiteit van Amsterdam. Al snel wil zij een kennelijke mythe uit de wereld helpen. De mythe van de Braziliaanse illegaal. “In de media wordt vaak geschreven en gesproken over illegale Braziliaanse goudzoekers. De suggestie wordt gewekt alsof alle garimpeiro’s illegaal aan het werk zijn. Dat is absoluut niet het geval. De meeste Braziliaanse goudzoekers zijn gewoon legaal in het land, staan geregistreerd bij de concessiehouders en de overheid, dragen bij aan de economie en betalen belasting.” In haar toonzetting klinkt ergernis over de berichtgeving in de media die niet altijd op kennis van zaken over de kleinschalige goudwinning is gebaseerd. Met goede onderzoeksjournalistiek zou de beeldvorming aanzienlijk kunnen verbeteren.

Braziliaanse enclave
Als je spreekt over garimpeiro’s, dan spreek je over Benzdorp. Een Braziliaanse enclave waar lust en verderf hoogtij vieren, althans als we het beeld dat door de media gecreëerd wordt moeten geloven. De Theije: “Benzdorp is geen dorp. Het is een goudzoekerskamp. Al in 1885 werd in dat gebied goud gevonden en sindsdien is het een komen en gaan van buitenstaanders die er goud delven. Oorspronkelijk is dit het leefgebied van de Aluku die vooral aan de Franse oever van de Lawa wonen. Nu wonen er niet alleen Brazilianen; naar schatting een derde van de bewoners is Surinamer.”

Bandeloosheid
Ook het geweld en de bandeloosheid die zo de boventoon voeren in de media zijn betrekkelijk. “Als ik in Benzdorp ben voor onderzoek, kan ik ongehinderd mijn werk doen, door het gebied reizen, kampen bezoeken, met mensen praten. Ik heb nooit problemen gehad. Er vindt ook niet meer misdaad of geweld plaats dan op andere plekken in Suriname, zoals Paramaribo, is mijn indruk. Het beeld dat wordt neergezet van Benzdorp, is een verkeerd beeld.”Eind augustus 2008 werd Benzdorp geteisterd door de operatie Clean Sweep. Het was het paradepaardje van de toenmalige minister van Justitie en Politie, Chandrikapersad Santokhi. Een zuiveringsactie om orde en gezag te creëren in het gebied, om ordening te brengen, om illegalen op te pakken. Marjo de Theije spreekt nog vol verbijstering over de ‘Clean Sweep-overval’ op Benzdorp en de lokale Braziliaanse goudzoekers. “De hele operatie werd gepresenteerd als een actie tegen illegale Brazilianen en criminelen. Maar de meeste Brazilianen hadden al een verblijfsvergunning na de grote legaliseringactie een jaar eerder. Het enige resultaat was dat mensen er nu achter kwamen dat ze ook een vergunning moeten hebben voor winkeltjes en dat soort zaken. Die zijn ze na Clean Sweep allemaal gaan halen in de stad, dus ook op dat punt is nu alles gelegaliseerd. Overigens dachten mensen dat ze al een vergunning hadden voor hun economische activiteiten omdat ze maandelijks belasting betaalden aan de concessiehouder."

Kleinigheden
Wat tijdens Clean Sweep gebeurde, was dus niet precies het bestrijden van de criminaliteit in de goudvelden. Er werden succesvolle en geregistreerde goudzoekers gearresteerd om kleinigheden. Ook werden zomaar auto’s en ATV’s in beslag genomen. De Theije: “Agenten en militairen moesten zich toch kunnen verplaatsen in het gebied. Een in beslag genomen auto is zelfs door een onervaren chauffeur de eerste de beste berg afgereden en compleet vernield.” Herinneringen aan de verhalen van de goudzoekers komen, als ware zij gisteren, verteld als een waterval ter sprake. “Een probleem tijdens zo’n actie is ook dat de meeste militairen en politieagenten geen Portugees spreken en verstaan. Er werden gewoon wat Surinamers in Benzdorp geronseld als tolk, maar die waren natuurlijk niet voorbereid op een politionele taak.

Gewoon verkocht
“Mensen vertelden dat bij een Chinese supermarkt aan de oever door agenten en militairen onderdelen voor ATV’s in beslag werden genomen die even later in Benzdorp gewoon verkocht werden aan een andere supermarkteigenaar.” Ook de gedupeerde goudzoekers konden hun in beslag genomen materialen weer terug kopen. “Dat de materialen ter plekke te gelde werden gemaakt is ook niet raar, want hoe hadden ze de graafmachines en andere grote materialen naar Paramaribo moeten vervoeren?"Een paar weken na de Benzdorp-actie sprak minister Santokhi vol trots over het succes van de razzia. De operatie zou in totaal 400.000 srd hebben opgebracht, waarvan 300.000 srd alleen al uit de verkoop van geconfisqueerde materialen. Maar, was het wel een succes? Volgens De Theije was het wellicht in financieel opzicht een succes maar niet meer dan dat. “Na de actie was alles weer snel terug bij het oude in Benzdorp. De kans om de goudsector echt te ordenen en bijvoorbeeld maatregelen te nemen ter bevordering van schonere methoden van goudwinning, werd niet benut.”In het kleinschalige goudwinningproces wordt veelvuldig gebruik gemaakt van kwik.
Volgens De Theije is kwik een noodzakelijk kwaad. “Het goud in het Guiana Shield is fijn van structuur. De gemakkelijkste en goedkoopste manier om het te winnen, is door het te binden met kwik.” Daardoor ontstaat een amalgaam waaruit vervolgens door verhitting het kwik wordt verwijderd. “Veel goudzoekers doen dat op de meest simpele manier. Zij branden het in een open pan. Er bestaan verschillende andere technieken, waarbij geen kwik vrijkomt, maar die worden maar weinig toegepast. In Suriname heeft WWF, de enige lokale NGO die iets aan de milieuschade door goudwinning probeert te doen, het gebruik van retorts gepromoot.” Dat is een apparaat waarin amalgaam in een gesloten circuit wordt verhit. Kwik wordt teruggewonnen omdat het wordt afgekoeld tot vloeibaar metaal. Dus een manier om kwik te hergebruiken. “Toch zijn er veel goudzoekers die geen retort gebruiken. De overheid zou milieuvoorwaarden kunnen stellen, bijvoorbeeld via de concessiehouders.”

Geen opvolging
Onlangs deed De Theije in opdracht van de IDB in samenwerking met een concessiehouder onderzoek naar de ontwikkeling van een environmental management system voor goudconcessies in Suriname. Dat project heeft echter geen opvolging gekregen. Bovendien ontbreekt nog steeds een effectieve wetgeving. Suriname heeft een Milieuwet, maar die wordt nog niet uitgevoerd.
Veel kwik wordt tijdens het gehele goudwinningproces gemorst. Kreken en rivieren worden vervuild. Inheemsen kampen met onduidelijke gezondheidsproblemen die mogelijk een direct gevolg zijn van kwikvergiftiging. Volgens De Theije is er nog steeds onvoldoende onderzoek gedaan naar de effecten van kwik op het milieu en de volksgezondheid. Wat onderbelicht blijft is een andere vorm van vervuiling veroorzaakt door goudwinning: modder. Water in kreken wordt ernstig vervuild door modder. De natuurlijke waterloop wordt aangetast. “Op veel plaatsen is niet meer te zien hoe een kreek oorspronkelijk liep."

Milieubeleid
Tijdens het hele gesprek loopt als rode draad dat de overheid nauwelijks grip heeft op de kleinschalige goudwinning in het binnenland. Suriname verdient goed aan goud, maar dat gaat niet gepaard met een beleid om het milieu te beschermen. Goudwinning vindt plaats ver buiten de stad, Paramaribo. De overheid is nauwelijks aanwezig in goudvelden. Daar is geen gezondheidszorg, geen onderwijs, geen andere diensten. De politiepost van het district Sipaliwini zit nota bene te Geyersvlijt, Paramaribo. Het duurt zeker twee dagen voordat ‘het gezag’ in het district kan zijn.

Ondanks de vele kritische opmerkingen over de goudsector verdienen vele Surinamers hun brood ermee. De Theije: “Financieel kunnen Marrons overleven door direct of indirect, bijvoorbeeld door transport te leveren, deel te nemen aan de goudwinning. Goud is hun belangrijkste inkomstenbron. Dat geldt ook voor de inheemsen. Mensen in de stad hebben concessies, maar Marrons en Inheemsen moeten ook geld verdienen. Zij vinden dat ze recht hebben op het goud omdat het gevonden wordt in hun leefgebied. In het binnenland is nu eenmaal geen andere economische activiteit dan de goudwinning. De toegang tot de goudvelden is een bron van conflict. Overigens trekken meer en meer jongeren vanuit de stad naar het binnenland om hun geluk te beproeven in de goudwinning, om geld te verdienen. Voor het winnen van goud moet je fysiek sterk zijn maar je hoeft geen specifieke scholing te hebben. Jongeren die in de stad niet aan werk komen, vinden in de goudwinning een goede broodwinning.
“Ik ben heel benieuwd naar het beleid dat de nieuwe regering zal ontwikkelen. De grondrechten kwestie zal nu wellicht ter hand worden genomen, onder andere op initiatief van het nieuwe Assembleelid Hugo Jabini.”

Jabini ontving in het voorjaar van 2009 de prestigieuze internationale Goldman milieuprijs in San Francisco, Amerika, voor zijn strijd tegen houtkap in Saramaccaans gebied. Het nieuwe politieke bewind dat door Suriname waait, zou op den duur de kleinschalige goudwinning in het binnenland beter kunnen gaan reguleren en ook zorgen voor een betere afstemming tussen goudwinning en goed milieubeheer.

(Bron foto: Parbode)