maandag 3 december 2012

Staatsolie wil Suriname 'groen laten rijden'

Staatsolie zet te Wageningen suikerrietplantage op

03-12-2012 Door: Paul Kraaijer


Paramaribo – Staatsolie Maatschappij Suriname N.V. wil Suriname ‘groen’ laten rijden. In december 2010 is het bedrijf gestart met een proefproject bij Wageningen (district Nickerie) om diverse soorten suiker te testen op eventuele bruikbaarheid voor de productie van de milieuvriendelijke plantaardige biodiesel, ethanol. Daartoe kocht Staatsolie 12.600 hectare grond van de Stichting Machinale Landbouw (SML) waar een geautomatiseerde suikerrietplantage is opgezet. Staatsolie ziet de toekomst zonnig en groen tegemoet.

Voordat Staatsolie met dit project startte werd in 2009 een conceptstudie uitgevoerd waarvan het resultaat positief was. In de volgende, tweede, fase wordt een zogenoemd ‘solutions study’ uitgevoerd, een studie waarin agrarische en industriële aspecten centraal staan en milieueffecten.

- Het agrarische deel van de studie wordt uitgevoerd door het Britse Brooker Tate (te Thame, Oxfordshire), een bureau dat de afgelopen vijftig jaren in honderdtwintig landen ongeveer vijftienhonderd studies heft uitgevoerd op het terrein van ethanol, suiker, bio-energie en andere agrarische projecten. De industriële aspecten worden onderzocht door Aker Solutions dat haar hoofdkantoor heeft in Noorwegen. Het bureau heeft vestigingen in de hele wereld, waaronder drie in Brazilië. Volgens een eigen persbericht van de vestiging van Aker Solutions in het Amerikaanse Houston van 9 september 2009 is een ‘project management consultant contract’ getekend met Staatsolie voor de uitbreiding van de raffinaderij.De Nederlandse vestiging te Zoetermeer zou het project ondersteunen. -

In een reactie laat Dominique Van Dijk, Coördinator Wageningenproject bij Staatsolie, weten dat op dit moment, maart 2012, de solution studies worden afgerond voor het industrieel deel en het agrarisch deel.  ‘Als deel van de agrarische solution studie worden de resultaten van de veertien suikerrietvariëteiten geanalyseerd. In de industriële solution studie worden alle aspecten die te maken hebben met het opzetten van een fabriek onderzocht. Er zijn veel opties bestudeerd die gericht zijn op de productie van ethanol, suiker en elektriciteit. Verder wordt er een zorgvuldige milieu- en sociale effectenanalyse gedaan om zowel de positieve als de negatieve effecten van dit project op mens en milieu vast te stellen. Dit in lijn met Surinaamse richtlijnen en internationale standaarden. ‘

Om de resultaten van de proefaanplant (in totaal acht hectare) te kunnen bestuderen is een jaar uitgetrokken. Als die resultaten positief zijn kan de bouw van de raffinaderij – om suikerrietssap om te kunnen zetten naar ethanol – starten. Staatsolie verwacht vervolgens dat de eerste ethanol rond 2015 verkrijgbaar is. 
Staatsolie wil leidend zijn in de duurzame ontwikkeling van de energie-industrie in Suriname en daarmee ook een belangrijke bijdrage leveren aan de vooruitgang van de Surinaamse samenleving. Van Dijk: ‘Aan de hand van de uitkomst van de solution studies en milieu- en sociale effectenanalyse zal worden besloten over te gaan tot de productie van ethanol. Indien de productie van suiker en elektriciteit extra waarde toevoegt aan het project zal dit ook worden overwogen.’

Het belangrijkste agrarische onderdeel van de tweede onderzoeksfase is het proefproject in Wageningen. Een proefareaal werd beplant met 80.000 suikerrietplantjes van verschillende soorten uit Guyana, Brazilië, Guatemala, Colombia en Barbados. De proefaanplant moest aantonen welke suikerrietvariëteiten het meest geschikt zijn voor Suriname.  De jonge aanplant werd in een laboratorium gekweekt, om ziekten te voorkomen. In Brazilië werden plantjes vermeeerderd en vervolgens naar Suriname geëxporteerd waar ze bij het plantvermeerderingsbedrijf Phyto-Tech in Commewijne konden groeien tot ze rijp genoeg waren om in het proefveld geplant te worden.

‘Het proefveld ziet er anders uit dan de rijstvelden in Nickerie: in de grond staan tientallen witte genummerde paaltjes en honderden watersproeiers die met elkaar verbonden zijn door dunne, zwarte, irrigatiebuizen. Op een deel van het proefveld van dertig hectaren waaien de suikerrietplantjes gezond en vrolijk mee met de wind. Zo’n 25 mannen en vrouwen uit Wageningen hebben werk gevonden in deze fase van het proefproject. Na een training door buitenlandse experts zijn zij ingezet bij de dagelijkse werkzaamheden, zoals het planten en verzorgen van de aanplant.’ Woorden uit het eerste nummer in 2011 van Staatsolie Nieuws.

Staatsolie is de weg naar groene biodiesel opgegaan, omdat het bedrijf een toekomstvisie heeft en zich ervan bewust is dat aardolie niet hernieuwbaar is en op een moment op is. Volgens het bedrijf heeft de zoektocht naar andere brandstoffen om de plaats in te nemen van de producten die uit aardolie worden gemaakt, onder andere biobrandstoffen opgeleverd die wel hernieuwbaar en milieuvriendelijker zijn. Die brandstoffen worden vervaardigd uit natuurlijke producten als pinda, zonnebloemzaad, cassave, pinda, rijst, soja, suikerriet en maïs. Oliën of het sappen uit dergelijke gewassen kunnen goed verwerkt worden tot ethanol (alcohol, geschikt als brandstof. Suikerriet heeft echter de hoogste opbrengst heeft in liters per hectare. In onder andere Brazilië en de Verenigde Staten en sinds 1 januari 2007 ook in Nederland wordt ethanol ook vermengd met gewone benzine. Het geschikt maken van auto's voor het rijden op ethanol vergt maar een zeer kleine aanpassing.

Staatsolie maakte in september 2011 bekend dat het haar biobrandstofproject in Wageningen zou gaan uitbreiden. Volgens directeur Mark Waaldijk verliepen de proeven goed en zelfs beter dan het bedrijf had verwacht. De proeven met suikerruit moeten komend jaar gereed zijn en zal Staatsolie de knoop doorhakken of zij commerciële activiteiten voor de export gaat ontwikkelen. Opmerkelijk was dat een paar maanden eerder president Desiré Bouterse zich niet bepaald lovend uitliet over het unieke project van Staatsolie. Tijdens een bijeenkomst in Nickerie zei hij onomwonden geen vertrouwen in het biobrandstofproject te hebben. Bouterse: ‘Onmogelijk. Nooit niet. Van zijn leven niet. Kan niet rendabel zijn. Ik ken het biodieselproject.’ Deskundigen van het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij en het Kabinet van de President waren van oordeel dat het gehele project zou moeten verhuizen naar het Corantijngebied. In dat gebied zouden de bodemgesteldheid en de waterinfrastructuur beter zijn. Daarenboven begonnen rijstboeren in de nabijheid van het proefproject van Staatsolie te klagen dat zij last hadden van de operaties van het bedrijf. Voor wat betreft een eventuele verhuizing naar het Corantijngebied is Dominique van Dijk in een reactie helder: ‘Vooralsnog zal het project zich beperken tot Wageningen voor suikerrietproductie. In de toekomst zal er mogelijk naar andere geschikte gebieden worden gezocht.’

Met de hoge olieprijzen en de wereldwijde toenemende behoefte aan energie is de vraag naar ethanol toegenomen. Brazilië telt ruim driehonderd ethanolfabrieken. In januar 2012 werd echter bekend dat door slechte oogsten in het land er een tekort aan suiker voor bio-ethanol is ontstaan: een probleem voor het land dat wereldwijd de grootste producent is van ethanol uit suikerriet. Vrijwel alle bio-ethanol in Nederland is afkomstig uit Brazilië. Staatsolie zou in de nabije toekomst een belangrijke speler kunnen worden in het internationale veld van ethanolproducenten. 

Maar, is Suriname over een paar jaar gereed om werkelijk ‘groen’ te gaan rijden? Op deze vraag volgt een uitgebreide reactie van de Coördinator Wageningenproject bij Staatsolie, Dominique van Dijk: Het is de bedoeling dat een deel van de productie van ethanol bestemd is voor het mengen met de gasoline uit de nieuwe raffinaderij waaruit hoogwaardige gasoline zal ontstaan en het ander deel voor export. In eerste instantie zal de gasoline in Suriname een bepaalde mix worden met de ethanol, die voor de ‘normale’ auto’s in Suriname geen probleem oplevert. Deze mix zorgt er al voor dat de gasoline ‘groener’ wordt. Indien er meer flex-fuel auto’s in Suriname zullen komen, zal ook gereden kunnen worden op 100% ethanol, zeer ‘groen’ dus, zoals dit ook al tientallen jaren in Brazilië het geval is. De overheid zou dit kunnen faciliteren, zodat de klant een incentive heeft om groener te rijden. Indien er ook suiker wordt geproduceerd zal de ruwe suiker worden geëxporteerd, de afzetmarkten hiervoor worden in beeld gebracht. Deze suiker is niet geschikt voor consumptie. Een mogelijkheid voor een volgende fase om meer waarde aan het product toe te voegen is het produceren van geraffineerde witte suiker en andere soorten consumptiesuikers uit de ruwe suiker, die dan zeker ook op de lokale markt zullen worden gebracht. Daarnaast zou ook nog eens elektriciteit opgewekt kunnen gaan worden uit het uitgeperst suikerriet - dat ook bagasse wordt genoemd naar de Braziliaanse benaming. De elektriciteit zal voor de fabriek worden gebruikt en daarnaast geëxporteerd worden naar de huishoudens en bedrijven in het district Nickerie. Ook wordt de mogelijkheid bekeken om uit de bagassevezels bouwmaterialen, zoals fiber boards, te maken. Bij de productie van ethanol komt ook CO2  vrij tijdens de fermentatie. Deze CO2 kan op zijn beurt in toekomst dienen als voedingsstof voor de productie van bio-diesel uit algen.Een reeds lang ingezette energie- en milieuvriendelijke trend in de wereld is namelijk om te zorgen voor een bijna volledige benutting van alle afval en andere bijproducten uit verwerkingsprocessen. De doelstelling is dus dat alles van de suikerrietplant efficiënt benut zal worden. Dit levert ook zogenaamde ‘Carbon Credits’ op, vanwege de CO2 uitstootreductie.’
De reactie laat duidelijk het enthousiasme zien binnen het bedrijf om bij te dragen aan een nog groener Suriname.

In januari van dit jaar verschenen er plotseling berichten over een tekort aan ethanol in Brazilië, veroorzaakt door enkele slechte suikerrietoogsten. Zou Suriname - en dus Staatsolie - in de toekomst een belangrijke speler kunnen worden in het internationale veld van ethanolproducenten? 

Van Dijk: ‘De initiële ethanolproductie in Suriname zal nog niet op een dusdanig niveau zijn dat wij een belangrijke internationale speler zullen zijn, maar is voornamelijk gericht op de lokale behoefte van ethanol voor menging in gasoline. Indien het project zich in positieve zin zal bewijzen dan zal dit natuurlijk als voorbeeld dienen voor investeringen in vervolgprojecten en kan Suriname de productie verhogen en een belangrijkere speler worden, met name in de Caribische regio. Onze bedrijfscultuur is er een van kijken in de toekomst en anticiperen op veranderingen.’

‘Kijken in de toekomst’, dat doet Staatsolie absoluut met haar groene plannen. ‘Anticiperen op veranderingen’, ook dat doet het ambitieuze en groene Staatsolie. Hèt groene voorbeeld voor Suriname.


Noot:
Dit artikel werd door mij al in maart/april 2012 geschreven voor het tweemaal per jaar verschijnende United Magazine. Het blad is echter met een aanzienlijke vertraging pas in de laatste week van november 2012 verschenen nummer sept. 2012/feb. 2013.

zondag 2 december 2012

Zuurstof versus goud: Surinaams bos van onschatbare waarde

Is het Surinaamse bos meer waard dan het Surinaamse goud?

02-12-2012   Door: Paul Kraaijer


In alle opzichten is Suriname een uniek land. Het heeft een kleurrijke bevolking, de unieke Voltzberg, een mooie snelstromende ‘donkere’ Surinamerivier, prachtige legstranden voor enkele bedreigde grote zeeschildpadsoorten te Galibi en Matapica, de Waterkant in Paramaribo en Domburg, watervallen in het achterland, een unieke en bijzondere biodiversiteit en een immens tropisch regenwoud. Meer en meer toeristen weten de weg naar het mooie kleine Zuid-Amerikaanse land te vinden. Aangetrokken vooral door ‘de jungle’, het bos, het Amazonewoud. Vanuit de hele wereld dragen de toeristen bij aan de Surinaamse economie. Het bos kan echter ook zelf zorgen voor een belangrijke bijdrage aan de economie. Het bos is zelfs van onschatbare waarde. Maar, wat is de waarde van dat bos - het groene goud – en is het meer waard dan het Surinaamse goud? Een vraag die vandaag de dag niet een, twee, drie is te beantwoorden......

Suriname profiteert vooralsnog niet van wat het regenwoud aan harde valuta zou kunnen opbrengen. Suriname gaat nog steeds voorbij aan de vele beschikbare zogenoemde klimaatfondsen in de wereld.
‘Het bos moet nu echt in geld vertaald worden, en daar wachten wij nu op. We hebben het jarenlang in stand gehouden en we willen er nu wel geld voor hebben.’ Dat waren woorden gesproken door oud-minister Rick van Ravenswaay van het minsterie van Planning en Ontwikkelingssamenwerking (PLOS) in november 2009. Een maand later wees oud-president Ronald Venetiaan tijdens de Klimaattop van de Verenigde Naties in het Deense Kopenhagen weer eens op het feit, dat Suriname één van de meest kwetsbare landen ter wereld is als het gaat om de negatieve gevolgen van klimaatverandering. Venetiaan benadrukte dat het lage Surinaamse ontbossingscijfer en de dichte bosbedekking, te danken zijn aan ‘een langdurig en consistent beleid’. Maar, concreet ondernam de regering Venetiaan-Sardjoe niets tot zeer weinig om werkelijk harde munt uit het eigen bos te slaan.

Op zoek naar klimaatfinanciering en de juiste projecten
Daar probeert de klimaatadviseur van president Desi Bouterse, John Goedschalk, sinds augustus 2011 verandering in te brengen als directeur van het Climate Compatible Development Agency (CCDA), aan bureau dat direct onder verantwoordelijkheid van  president Desiré Bouterse valt. De regering Bouterse-Ameerali neemt de gevolgen van klimaatverandering serieus en zoekt ook serieus naar internationale compensatiegelden voor de wijze waarop Suriname haar tropisch regenwoud tracht zoveel als mogelijk te beschermen en daardoor de uitstoot van het schadelijke koolstof te voorkomen. Ontbossing is verantwoordelijk voor vijftien procent van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen en is ook nog eens een belangrijke oorzaak van klimaatverandering. Door het toekennen van een  economische waarde aan de opslag van koolstof in de bomen en bodem krijgen in het Surinaamse tropisch regenwoud staande, levende, bomen, meer waarde dan gekapte, dode, bomen. Het zijn vooral westerse, geïndustraliseerde landen die moeten gaan betalen voor duurzaam bosbehoud en het tegenaan van CO₂-uitstoot. (Koolstofdioxide, ook kooldioxide of koolzuurgas genoemd, is een kleurloos en reukloos gas dat van nature in de atmosfeer voorkomt. Een toename van CO₂ tast de ozonlaag aan, waardoor het warmer op de aarde wordt.)

We spreken John Goedschalk in zijn kantoor aan de Geertruidastraat in Paramaribo kort voor zijn vertrek naar weer een internationale bijeenkomst, deze keer in Paraguay. Hij blijkt tot in zijn tenen een ‘groene’ Surinamer te zijn, die voor de volle honderd procent – zo niet meer – opgaat in zijn taak om in de internationale complexe wereld van fondsen te zoeken naar voor Suriname geschikte financieringsmogelijkheden. Tegelijkertijd heeft hij de schier onmogelijke taak om verantwoordelijken achter interessante Surinaamse projecten als woningbouw, infrastructurele werken, nieuwe goudmijn- en bauxietmijnplannen in het Nassaugebied, maar ook het biodieselproject van Staatsolie en het grootse hydro-energie Tapajai Project, geïnteresseerd te krijgen voor de mogelijkheid om fondsen aan te boren ter financiering van de projecten. Maar, ook het herstel en herbeplanten van de mangrovekust te Coronie, om afkalving van de kust mede veroorzaakt door klimaatverandering te voorkomen, is een zeer goede optie. Goedschalk maakte begin oktober 2011 nog bekend dat mangroves vijfentwintig keer meer koolstof opslaan dan het tropisch regenwoud. Het mangroveproject te Coronie zou volgens hem dan ook miljoenen dollars kunnen opleveren voor Suriname.
Goedschalk: ‘Velen blijken echter nog niet goed op de hoogte te zijn van die mogelijkheden, de mogelijkeden voor klimaatfinanciering. En juist die gerichte vorm van financiering moet bijdragen aan het voor bedrijven en projecten eenvoudiger maken om te kiezen voor duurzame ontwikkeling. Laat zien dat je een project van de grond kunt krijgen waarvoor maar vijftig bomen gekapt hoeven te worden, in plaats van honderdtwintig. Het heef mij overigens verbaasd dat Staatsolie nog geen beroep op klimaatfinanciering heeft gedaan voor haar biodieselproject. Het bedrijf is bekend met die mogelijkheid.’ 
De groene man van het Kabinet van de President betreurt het dat de bewustwording inzake klimaatfinancieringsmogelijkheden zo traag verloopt. Daarenboven heeft hij in zijn dagelijkse werk niet met één ministerie te maken, maar met meerdere en daaruit blijkt weer de complexiteit van de materie.
Hij praat snel, gebruikt veel Engelstalige termen en tracht op een verhelderende manier met behulp van een ‘flapover’ de internationale business van klimaatfinanciering inzichtelijk te maken. Hij tekent het ene na het andere schematisch overzicht ter verduidelijking van het verhaal. Een complexe, abstracte, manier van financiering weet hij binnen korte tijd in een voor leken begrijpelijke taal om te zetten.
De basis van zijn werkzaamheden en van veel projecten die in aanmerking zouden kunnen komen voor klimaatfinanciering, is  klimaatverandering. Goedschalk: ‘Klimaatverandering is feitelijk een ecologisch probleem, waarvoor een economische oplossing nodig is. En die oplossing proberen ik en mijn team te vinden.’ Hij vervolgt in zijn aircogekoelde werkkamer:  ‘Als de risico’s voor het klimaat bij de genoemde projecten bekend zijn, dan kun je met duurzame oplossingen komen. En daar kun je dan weer als land klimaatfinanciering voor krijgen,’ aldus Goeschalk. Het geld is er volgens hem èn in overvloed, maar Suriname maakt er vooralsnog geen gebruik van. Er zijn nog geen projecten ingediend. ‘Fondsen zijn er in voldoende mate. Denk aan de Voluntary Carbon Market (VCM), het EU-Emissions Trading System (EU-ETS), maar zelfs in Australië is een fonds dat nuttig zou kunnen zijn voor Surinaamse projecten.’

John Goedschalk maakt lange dagen om zijn belangrijke stenen te kunnen bijdragen aan een groene ontwikkeling van Suriname. Gedachten gaan onbedoeld even terug naar 25 oktober 2006. John was zowaar het talent van de week in het Nederlandse tijdschrift Elsevier. In het blad kreeg hij een aantal korte vragen voorgelegd. Op de vraag wat hij over vijf jaar zou doen, antwoordde hij: Over vijf jaar..., dan maak ik van Suriname een betere plek. Het land heeft veel in mij geïnvesteerd, nu moet ik teruggeven.’ En dat doet hij: Suriname een beter plek maken en hij geeft absoluut terug.

 Een van de meest bosrijke landen ter wereld
Suriname valt onder de categorie van landen met een hoge bosbedekkingsgraad, een geringe ontbossing, een kleine bevolking van ruim 500.000 inwoners en 163.820 km2 landoppervlak. Het bosoppervlak is ongeveer negentig procent van het totale landoppervlak. Uitgedrukt in bos per inwoner is Suriname één van de meest bosrijke landen ter wereld, volgens de Wereld Voedsel en Landbouw Organisatie (FAO). Voor klimaatmitigatiedoelstellingen is het beter om het bos helemaal niet te kappen, zodat er zoveel mogelijk CO₂ ofwel koolstof kan worden vastgehouden. Bomen nemen namelijk koolstof op en deze stof wordt opgeslagen als biomassa. Maar, door een ongecontroleerde en illegale houtkap èn slecht bosbeheer, kunnen bossen een bron van CO₂–uitstoot worden. Wanneer zeer veel bomen worden gekapt of op een andere manier uit het bos verdwijnen, dan wordt er meer CO₂ uitgestoten dan opgeslagen.
Om de problemen rond de uitstoot in de wereld van CO₂ aan te pakken werd in 1992 onder verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties het klimaatverdrag - UNFCCC, UnitedNations Framework Convention on Climate Change – afgesloten en ondertekend tijdens de ‘Earth Summit’ in Rio de Janeiro. Suriname zette op 13 juni 1992 haar handtekening onder het verdrag, op 14 oktober 1997 werd het bekrachtigd en met ingang van 12 januari 1998 trad het lidmaatschap formeel in werking.

Doel van het verdrag is om emissies van broeikasgassen te reduceren en daarmee ongewenste gevolgen van klimaatverandering te voorkomen. Dat doel kan onder andere bereikt worden door bossen duurzaam te beheren en te exploiteren. Op de jaarlijkse vergadering van UNFCCC in 2005 in Montreal, Canada, kwamen landen met grote tropische bossen met het idee een mechanisme te ontwikkelen waarbij landen die de uitstoot van CO₂ in de atmosfeer kunnen verminderen door de ontbossing in te dammen, financieel gecompenseerd worden. Hiertoe werd het Reduce Emissions from Deforestation (RED) mechanisme ontwikkeld. Vervolgens werd tijdens de bijeenkomst van de UNFCCC in 2007 op Bali, Indonesië, het Reduced Emissionsfrom Deforestation and forest Degradation (REDD) mechanisme ontwikkeld. Dat heeft tot doel het verminderen van CO₂ uitstoot als gevolg van ontbossing en bosdegradatie, door het geven van financiële prikkels aan de eigenaren van bossen. Om ook de ontwikkelingslanden die hun bossen conserveren in aanmerking te laten komen voor dit financieringsmechanisme, werd door de UNFCCC het REDD+ tijdens de bijeenkomst in december 2009 in Kopenhagen, Denemarken, geïntroduceerd. Het REDD+ financieringsmechanisme is nu in ontwikkeling en er moet nog vastgesteld worden hoe dit mechanisme zal functioneren. Zaken die geregeld moeten worden zijn de reikwijdte en schaal, de financiering van de kosten, verdeling van de baten, de monitoring, rapportage en verificatie (MRV), de betrokkenheid van belanghebbenden, de bijdrage van REDD+ aan duurzame ontwikkeling, de bescherming van de biodiversiteit, de ecosysteemdiensten en de rechten van inheemse volken.

Minister Kromosoeto sloeg spijker op de kop
In aanloop naar de VN Klimaattop in het Zuidafrikaanse Durban op 28 november 2011 liet de Surinaamse milieuminister Ginmardo Kromosoeto verrassend weten dat Suriname eigenlijk nog niet in aanmerking kan komen voor financiële compensatie. Volgens de bewindsman moet eerst duidelijk worden wat de waarde van het Surinaamse bos is. Hij sloeg de spijker op zijn kop.
Immers, landen die in aanmerking willen komen voor REDD+, moeten kunnen aantonen dat zij hun bosbeheer verbeteren ten opzichte van het verleden, zodat er nog meer koolstof opgeslagen kan worden in hun bossen. De additionele koolstofopslag wordt vertaald in zogenoemde ‘carbon credits’ waarop de betaling wordt gebaseerd. De vergoeding hiervoor moet komen van de geïndustrialiseerde landen. Hoe deze koolstofmarkt en het betalingssysteem er exact uit gaan zien is vooralsnog niet duidelijk.

Overigens werd vlak voor de Kerstdagen van 2010 bekendgemaakt dat Suriname een CO laboratorium zou krijgen in het district Brokopondo. In februari 2011 werd het laboratorium, ook wel het Carbon-Lab genoemd, al in gebruik genomen. Het initiatief was afkomstig van John Goedschalk en van twee particuliere ondernemingen: Kersten (eigenaar van het ecotoerismeresort Berg en Dal, en het Canadese goudmijnbedrijf IAmGold, eigenaar van de Rosebel goudmijn. Het Carbon-Lab moet laten zien wat de opslag van CO inhoudt. Bezoekers van Berg en Dal kunnen zelf via een trip gegevens van een boom verzamelen door middel van een maatlint en schrijfgerei, en daarna onderzoeken hoeveel CO  de boom heeft opgeslagen. In samenwerking met Conservation International en het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek in Suriname (CELOS), de onderzoekstak van de Anton de Kom Universiteit, worden metingen uitgevoerd. Duidelijk moet worden wat dit type bos nu waard is voor  CO₂ opslag. De resultaten worden in het Carbon-Lab tentoongesteld en dit onderzoek moet in heel Suriname gaan plaatsvinden.

Dr. Eric Arets van Wageningen Universiteit over REDD
Een van de deskundigen van het Surinaamse bos is dr. Eric Arets van onderzoekscentrum Alterra, Wageningen Universiteit in Nederland. Arets is werkzaam voor het Centrum voor Ecosysteem Studies van het Team Bos Ecosystemen. Hij heeft in 2011 met enkele anderen, waaronder Rudi van Kanten van Tropenbos International Suriname, het onderzoeksrapport ‘Towards a carbon balance for forests in Suriname’ gepresenteerd.
Hij geeft zijn visie op REDD: Het achterliggende idee van REDD is dat ontwikkelingslanden financieel gecompenseerd worden voor het reduceren van emissies van broeikasgassen, vooral CO₂, door ontbossing en bosdegradatie tegen te gaan. Landen die aantonen dat de snelheid van ontbossing afneemt, krijgen een bepaald bedrag voor iedere ton CO₂ die minder wordt uitgestoten. Om dat aan te kunnen tonen is dus informatie nodig over de snelheid van ontbossing en bosdegradatie in het verleden en de huidige snelheden hiervan. Vervolgens is informatie nodig over de hoeveelheid koolstof die in dat ontboste areaal opgeslagen was en vervolgens in de atmosfeer terechtkomt. Als je die biomassa gewoon verbrandt, dan komt dus bijna alle CO₂ in de atmosfeer terecht, maar bij houtoogst blijft ook een deel nog in de eindproducten achter. Naast het vòòrkomen van ontbossing kan ook verbeterd bosbeheer resulteren in een vermindering van CO₂ emissies.‘
Ook Arets moet erkennen dat er op dit moment nog veel discussie is over hoe het REDD mechanisme uiteindelijk er uit komt te zien en wat de hoogte van de compensatie per ton CO₂ zal gaan worden.

Maar, is het Surinaamse bos nu meer waard dan het Surinaamse goud?
Volgens Eric Arets hangt de waarde van het Surinaamse bos af van veel zaken. Arets: ‘De waarde wordt niet alleen bepaald door biofysische zaken zoals de koolstofvoorraad of de beschikbaarheid van andere grondstoffen, maar ook van de politiek. Naast dat bos CO₂ uit de atmosfeer vastlegt en, omgekeerd, dat bij ontbossing en bosdegradatie CO₂ vrijkomt, levert het Surinaamse bos ook nog tal van andere goederen en diensten, zoals regulatie van lokaal klimaat, voedsel, schoon water en hout. Ook is het van belang op welke tijdschaal je naar het bos kijkt.’
Over de waarde van het Surinaamse bos afgezet tegen de waarde van het Surinaamse goud, reageert de Nederlandse onderzoeker alsvolgt: ‘De winning van goud kan misschien in een keer veel geld opleveren, maar daarvoor worden alles bij elkaar toch grote delen bos vernietigd en dus de diensten die het levert, de bodem spoelt weg, waardoor herstel heel moeilijk zal zijn en zeer langzaam zal gaan, de loop van water in kreken wordt beïnvloed, waarvan niet duidelijk is wat dat gaat betekenen voor het omliggende niet direct aangetaste bos, etcetera. Op lange termijn is het heel aannemelijk dat de waarde van de diensten - CO₂ opslag, houtproductie, inkomsten uit toerisme uit bijvoordeeld het Brownsberg Natuurpark - die verloren gaan, veel hoger liggen dan de huidige eenmalige opbrengsten uit goud en de daarmee gepaard gaande vervuiling. Denk aan vergifitging van vis en de mensen die die vissen eten, door hoge concentraties kwik in het Brokopondo stuwmeer.’

Goedschalk laat niet los....
John Goedschalk heeft nog veel werk te verzetten. Het bos omzetten in dollars is een ingewikkeld proces met vele belangen en betrokkenen. Goedschalk heeft zich hier echter in vastgebeten en vooralsnog laat hij niet los.....
Met dank aan:
Mej. Vanessa S. Simson van Tropenbos International in Suriname:
EEN ZOEKTOCHT NAAR EEN OPTIMALE BENUTTING VAN HET SURINAAMSE BOS - De economische waarde van het bos gemeten aan de hand van de potentiële bijdrage van de bossector: Master thesis ter afronding van de opleiding Macro-economic Analysis and Policy, Paramaribo, Suriname, 21 maart 2011.

Noot:
Dit artikel werd door mij al in maart/april 2012 geschreven voor het tweemaal per jaar verschijnende United Magazine. Het blad is echter met een aanzienlijke vertraging pas in de laatste week van november 2012 verschenen, nummer sept. 2012/feb. 2013.

zaterdag 1 december 2012

TapaJai Project een unieke hydro-energie operatie in het Surinaamse achterland

Omleiding Tapanahonirivier via Jaikreek naar stuwmeer

01-12-2012  Door: Paul Kraaijer


Het zogenoemde Staatsolie TapaJai Hydro-energie Project is een van de grote projecten die de regering Bouterse nog op stapel heeft staan. Een uniek project om water uit de Tapanahonirivier via de Jaikreek om te leiden naar het stuwmeer, met als doel meer water in het meer krijgen om de waterkrachtcentrale daar meer elektriciteit te laten produceren in de nabije toekomst. Essentieel, om de mijnbouwontwikkelingen in het Nassaugebied van voldoende elektriciteit te kunnen gaan voorzien. Het klinkt eenvoudig: water omleiden. Maar, het project is immens en het zal zowel voordelen als nadelen opleveren voor de natuur, de biodiversiteit, en voor de lokale bewoners in het betrokken gebied. Maar, zullen de voordelen opwegen tegen de nadelen?

Het TapaJai Hydro-energie Project heeft de afgelopen jaren met regelmaat het nieuws gehaald. Het grootse project moet de energievoorziening veilig gaan stellen voor toekomstige mijnbouwontwikkelingen in vooral het Nassaugebied, in het oosten van het land. Nu wordt energie voor een belangrijk deel met fossiele brandstof geproduceerd door middel van generatoren van de NV Energie Bedrijven Suriname (EBS) en door waterkracht opgewekt door de Brokopondo (Afobaka) waterkrachtcentrale en die laatste vorm levert schone energie op. 
Waterkracht is simpelweg het vermogen dat door stromend of vallend water of door persing van water ontstaat. Met pijpleidingen of dammen wordt elektriciteit gegenereerd uit stromend of vallend water. Dat water stroomt of valt tegen de bladen van een turbine waardoor deze gaan draaien. De bladen laten vervolgens een generator roteren waardoor elektriciteit wordt geproduceerd. Hydro-energie wordt door velen gezien als de ideale manier om elektriciteit te genereren, omdat het milieu er niet door wordt belast, en de kosten laag zijn. Van alle duurzame energiebronnen is hydro-energie dan ook de meest gebruikte.

Het ontstaan van het TapaJai Project
Al sinds de bouw van de grote dam in het vijftienhonderdzestig vierkante kilometer grote Brokopondo- ofwelProf. dr. ir. W.J. van Blommesteinmeer is rekening gehouden om in de toekomst van elders water om te leiden naar het stuwmeer. In vakjaron wordt dat ‘debiet’ genoemd: de hoeveelheid water die een rivier of beek per tijdseenheid transporteert of afvoert. Om enige duidelijkheid te verkrijgen omtrent de voorgeschiedenis van het TapaJai Project - dat zou leiden tot een extra tweehonderdzestig vierkante kilometer stuwmeer -  is het noodzaak om  zo’n  vijftig jaar terug te gaan in de geschiedenis. Het is 1958, 27 januari, als het Amerikaanse aluminiumbedrijf Alcoa de zogenoemde Brokopondo-overeenkomst sluit met de Surinaamse regering. Met die overeenkomst verplichtten de Amerikanen zich om een stuwdam, een waterkrachtcentrale, een bauxietsmelterij en een fabriek voor aluminiumwinning te bouwen. Maar, daar stond wel iets tegenover:  Alcoa kreeg een concessie voor vijfenzeventig jaar om bauxiet te winnen en een korting op de elektriciteitsprijs. In 1965 werd in Paranam, aan de Surinamerivier,  een aluminiumsmelter in bedrijf genomen, die werkte op elektriciteit uit de waterkrachtcentrale van de Afobakadam. Het complex werd op 9 oktober van dat jaar officieel geopend door de toenmalige Nederlandse koningin Juliana. Na de sluiting van de aluminiumsmelter in 1999 nam het Surinaamse mijnbouwbedrijf Suralco - onderdeel van Alcoa World Alumina and Chemicals (AWAC, een samenwerkingsverband tussen  Alcoa  en Alumina Ltd.) het initiatief voor de studie van een mogelijke omleiding van de Tapanahonirivier, welke opdracht werd gegeven aan AGRA Earth & Environmental in Canada. Met die opdracht wilde Suralco een studie laten verrichten met als voornamelijk doel te onderzoeken of er voldoende ‘debiet’ van de Tapanahonirivier naar het Brokopondostuwmeer omgeleid zou kunnen worden om een aluminiumsmelter met een jaarcapaciteit van honderdduizend ton van energie te kunnen voorzien. De studie werd in augustus 2000 afgerond  (‘Tapanahoni River Diversion Project’ – Phase 1 Study Report)en had als conclusie dat een omleiding werkelijk mogelijk zou kunnen zijn. Bij die studie was betrokken het zogenoemde ‘Tapanahoni River Diversion Project Study Committee’, waarin onder andere zitting had ir. Lothar Boksteen, namens de Surinaamse regering.
Het Braziliaanse bedrijf CNEC Engenharia (in 2010 overgenomen door Worley Parsons) verrichtte vervolgens een uitgebreider onderzoek. Dat onderzoek werd een jaar later afgerond met als conclusie dat een omleiding in de regentijd van water uit de Tapanahonirivier èn van de Jaikreek uitvoerbaar is. Gedurende de regentijd wordt het omgeleide water gespaard in het stuwmeer en staan de centrales van Afobaka in principe stil. Bij Afobaka komt een tweede centrale met een vermogen van 116 megawatt (reeds geïnstalleerd 189 MW), het totale vermogen te Afobaka wordt 305 megawatt. In de droge tijd, wanneer er geen water van de Tapanahonirivier en Jaikreek wordt omgeleid, zullen de twee centrales te Afobaka de benodigde energie kunnen leveren.
Om een aaneengesloten circuit van waterkrachtwerken te ontwikkelen - West-Suriname, Brokopondo en Tapanahonirivier – gaf Suralco in 2005 aan de Brazilianen opdracht om de studie uit 2000 van AGRA Earth & Environmental en de studie van CNEC uit 2001 aan te passen aan de tijd.

Eén van de personen die al vele jaren bij het project betrokken is - als consultant -, is ingenieur Lothar Boksteen. Nog steeds is hij zeer enthousiast over het TapaJai Project. Gevraagd naar de actuele stand van zaken zegt hij dat dit jaar gestart zal worden met de zogenoemde Feasibility Study, als vervolg op de in juni 2011 afgeronde Pre-Feasibility study. In de Feasibility Study worden meegenomen de Technische Feasibilty Study en de ESIA Study (Environmental and Social Impact Assessment, ofwel Milieu en Sociale Effecten Analyse).  Boksteen: ‘Naar alle waarschijnlijkheid zullen deze studies na de begrafenis van granman Gazon starten. Volgens de oorspronkelijke planning zouden de Feasibility Study en de ESIA op dit moment (lees: eind maart 2012) in uitvoering moeten zijn. De werkwijze waarvoor is gekozen is echter, dat deze onderzoeken met medewerking van de belanghebbenden in het projectgebied - de Aucaanse, Saramacaanse, Trio en Wajana gemeenschappen - moeten worden uitgevoerd. De informatievoorziening en consultaties van deze gemeenschappen was reeds in een ver gevorderd stadium. Echter met het verscheiden van granman Gazon, is uit respect voor de tradities van de Aucaners ervoor gekozen om het informatie- en consultatieproces tijdelijk stop te zetten.’ (Het grootopperhoofd der Aucaners Gazon Matodja is op 10 april ten grave gedragen.)

Granman Gazon volgde ontwikkelingen project op de voet
Granman Gazon volgde de ontwikkelingen rond het prestigieuze project zo goed en zo kwaad als dat ging op de voet. Hij vroeg in april 2009 aan toenmalig minister Gregory Rusland van het ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, tekst en uitleg over de omleidingsplannen van de Tapanahonirivier. De plannen, waaronder de constructie van zes ondersteunende dammen in de Tapanahonirivier, de Jaikreek  en de Marowijnekreek, zouden de nodige schade kunnen aanrichten in het gebied. Genoemde rivier en kreken worden volgens het TapaJai Project door omleidingswerken ofwel door kanalen tot een breedte van vijfentachtig meter met elk een sluis, met elkaar verbonden. Door de dammen wordt hoogte gecreëerd, waardoor energie kan worden opgewekt.
Gazon maakte zich vooral zorgen over de effecten van de omlegging van waterwegen bij zijn beheersgebied op de leefgewoonten van de Aucaners. De marrons gebruiken dagelijks het water uit de kreken en rivier om in te baden, te wassen en om te drinken. Daarnaast verplaatsen zij zich met hun korjalen en dergelijke via de wateren. Gevreesd wordt dat door de ontstane lage waterstand de sula’s in de Tapanahoniriver onbevaarbaar worden. Deskundigen beweren echter dat het effect van het TapaJai Project op het waterpeil in de rivier miniem zal zijn. 

260 km2 Komt onder water te staan: Inheems dorp Palumeu verdwijnt waarschijnlijk
Toch gaat het project er voor zorgen dat een gebied van tweehonderdzestig vierkante kilometer onder water komt te staan. Het inheemse dorp Palumeu zou mogelijk onder water verdwijnen. Ook is er vrees dat de eilanden in het stuwmeer door de hogere waterstanden zullen verdwijnen. De eilanden die tijdens de overstromingen in 2006 droog bleven, zullen ook bij de uitvoering van het TapaJai Project niet onder water komen te staan. In een reactie zegt Boksteen dat Palumeu echt gaat verdwijnen: Het dorp Palumeu is het ènige dorp dat ten gevolge van het project onder water zal komen te staan. In Palumeu wonen circa tweehonderdvijftig mensen - Trio’s en Wajana’s - die in hun levensonderhoud afhankelijk zijn van de ecotoeristische activiteiten van reisorganisatie METS in Paramaribo. Voor deze burgers zal een oplossing worden gezocht, welke gedreven zal worden door de inzichten en wensen van de mensen zelf.’ Naast dit concrete nadeel van het project erkent Boksteen dat er ook nog een tweede groot nadeel zal optreden. ‘Een verminderde waterstroom door de Tapanahonirivier in de regentijd. Hierdoor zal de Tapanahonirivier die in de droge tijd moeilijk bevaarbaar is, ook in de regentijd moeilijker bevaarbaar zijn. Dit nadeel van het project zal worden opgevangen met de aanleg van een weg langs Tapanahoni, welke de dorpen met Paramaribo verbindt.’ De vrees van de Aucaners, dat de rivier moeilijk bevaarbaar zal worden, blijkt terecht. 
De inbreng van de binnenlandbewoners bij de ESIA studie zal zeer belangrijk zijn, aldus Boksteen. ‘Tijdens de uitvoering van de ESIA en daarna zullen op zeer regelmatige basis consultaties met de inheemsen, Aucaners en Saramaccaners plaatsvinden. Zolang de ESIA niet van start gaat is er geen zinvolle informatie welke met de inheemsen kan worden gedeeld. Zodra granman Gazon begraven is, zal het informatie- en consultatieproces weer worden opgestart met als doel om op zo kort mogelijke termijn medewerking te verkrijgen om te kunnen aanvangen met de ESIA en de technische Feasibility studies.'

Lothar Boksteen ziet meer voor- dan nadelen voor het TapaJai Project. Eén van de grote voordelen is onder andere dat het project, volgens Boksteen, een belangrijke bijdrage gaat leveren aan de energiezekerheid van het land. Boksteen: Waterkracht heeft als voordeel dat het een natuurlijke hulpbron is die onuitputbaar is en waarvan de voorziening onafhankelijk is van geopolitieke ontwikkelingen. Met dit inzicht hebben vele Latijns Amerikaanse landen, waaronder het economisch succesvolle Brazilië, decennia terug ervoor gekozen om hun waterkracht potentieel ten volle te benutten. Daarnaast gaat het project bijdragen aan lage elektriciteitsprijzen in Suriname. Suriname behoort binnen het Caribisch gebied tot de landen met de laagste elektriciteitsprijzen. Deels heeft dit zijn oorsprong in de subsidie welke de Surinaamse overheid verstrekt op stroomprijzen in Suriname, maar voor het belangrijkste deel is dit toe te schrijven aan het kunnen beschikken over waterkracht vanuit de Brokopondo waterkrachtcentrale. De vraag naar elektriciteit in Suriname neemt steeds toe. De nodige uitbreidingen in opwekcapaciteit hebben tot nu toe steeds plaatsgevonden door de installatie van dieselmachines die zware stookolie als brandstof gebruiken. Deze machines zijn in de EBS-centrale aan de Saramaccastraat en de Staatsolie centrale te Tout Lui Faut geïnstalleerd. De kosten voor elektriciteitsopwekking met zware stookolie zijn echter afhankelijk van de prijs van aardolie op de wereldmarkt. Bij een aardolieprijs van honderd Amerikaanse dollars per vat kost het opwekken van een kilowattuur elektriciteit met zware stookolie ongeveer achttien Amerikaanse dollarcent. Ter vergelijking, een kilowattuur elektriciteit opgewekt middels waterkracht kost heden ten dage vier tot zestien cent per kilowattuur, afhankelijk van de schaalgrootte van het project.  Het TapaJai Project zal ertoe bijdragen dat de kosten voor elektriciteit in Suriname relatief laag blijven.’

Volgens Lothar Boksteen zal het project ook een bijdrage leveren aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen.
Hoewel Suriname op wereldschaal gezien slechts een bescheiden bijdrage levert aan de uitstoot van broeikasgassen, zal het Tapajai Project leiden tot een verminderde uitstoot van CO₂, daar de hoeveelheid elektriciteit van het project niet met zware stookolie hoeft te worden opgewekt. Waterkracht heeft geen uitstoot van broeikasgassen.’ 
De ingenieur lijkt de voordelen uit zijn mouw te schudden. Hij vervolgt met nog een groot voordeel en dat is de ontsluiting van het achterland. Boksteen: ‘Het binnenland van Suriname is vrij geïsoleerd van de economische activiteiten welke zich voornamelijk in het noorden afspelen. De binnenlandbewoners hebben in vele opzichten een achterstand ten opzichte van de bewoners van de kustvlakte. Denk maar aan onderwijs, gezondheidszorg, de toegang tot informatie, elektriciteitsvoorziening, enzovoorts. Het optrekken van het welvaartsniveau van het binnenland is in principe onmogelijk zonder goede verbindingen over land. De enige manier om grote delen van het binnenland te bereiken is via de rivier, over de vele sula’s. De transportkosten zijn hierdoor heel erg hoog. Het binnenland is voor haar behoeftevoorziening heel erg afhankelijk van Paramaribo. Door de hoge transportkosten over de rivieren zijn de prijzen van bijvoorbeeld levensmiddelen vaak bijkans het dubbele van wat men in Paramaribo betaalt. Een ander voorbeeld in de elektriciteitsvoorziening. De overheid moet zorgen voor transport van brandstof via de rivieren naar de verschillende dorpen.  Behalve de hoge kosten voor het brandstoftransport komt het ook voor dat wegens, zeg maar, diverse redenen de brandstof haar bestemming niet bereikt. Het eindresultaat is dat dorpen in het binnenland voor zover ze over elektriciteit kunnen beschikken, daar maar voor slechts enkele uren per dag van kunnen genieten. Ook komt het vaak voor dat men voor langere perioden geheel niet over elektriciteit beschikt.
Inherent aan het TapaJai Project is de aanleg van wegen welke het binnenland zullen ontsluiten. Er is een weg geprojecteerd langs de dorpen aan de boven-Suriname en een weg langs de dorpen aan de Tapanahoni tot aan Stoelmanseiland. Een honderdzeventig kilometer lange ontsluitingsweg gaat aangelegd worden van Pokigron tot aan de dam in de Tapanahoni bij de Ingipikin Sula De wegen zullen de overheid beter in staat stellen om haar burgers in het binnenland van adequaat onderwijs, een goede gezondheidszorg en betrouwbare elektriciteit te voorzien. Als onderdeel van het project zullen dan ook concrete projecten worden opgenomen ter verbetering van de elektriciteitsvoorziening in het binnenland. Ook zullen de burgers in het binnenland een betere toegang hebben tot de economische activiteiten, markt, in de kustvlakte, hetgeen een verhoging van hun welvaartsniveau met zich mee zal brengen. Zo kunnen bijvoorbeeld binnenlandondernemers in de bosbouw hun producten tegen redelijke transportkosten en dus concurrerende prijzen in het noorden afzetten. De mogelijkheden  voor ecotoeristiche activiteiten zullen worden verruimd, hetgeen ook ertoe zal bijdragen dat binnenland bewoners kunnen rekenen op een stabiel inkomen.’

Hydroloog Naipal ziet meer na- dan voordelen
Het klinkt allemaal bijna te mooi om waar te zijn. Ook de bekende hydroloog Sieuwnath Naipal, werkzaam aan de Universiteit van Suriname te Paramaribo, ziet voordelen in het project. Maar, in een reactie somt hij er slechts zes op, die ook allen worden genoemd door Lothar Boksteen. Naipal ziet daarentegen maar liefst zeventien nadelen. Zo ziet hij nadelige gevolgen voor de afvoer van sediment. Naipal: ‘Met de waterafvoer worden ook deeltjes, sediment, mee getransporteerd. Deze deeltjes bezinken waar de snelheid van het water afneemt en worden verder getransporteerd waneer de snelheid weer toeneemt. Uiteindelijk wordt een groot deel van de sedimenten afgezet in of dicht bij de estuarine zone – het afzettingsgebied van sediment - van zo 'n rivier. Een ander deel wordt bij hoge waterstanden in de overstromingsgebieden afgezet – de natuurlijke bemesting van gebieden langs de rivier. Overstromingsgebieden zijn daarom vruchtbaar en kennen dus een hoge mate van biodiversiteit. Deze processen zullen worden beïnvloed door minder watertransport en dus bij lage waterstanden en lagere stroomsnelheden. Passen wij hierbij de theorie van een domino effect toe, dan zit het erin dat de sedimentbalans in de estuarine zone van de Marowijnerivier verstoord zal worden - er komen dus minder zanddeeltjes vanuit het binnenland naar de monding. Deze tekortkoming zal vanuit de zee worden aangevoerd. En als het zeesediment slib is dan hebben we geen schoon strand meer. Maar, alles hangt af van de hoeveelheid water dat wordt ontrokken van de boven-Tapanahoniriver.’
Ook Boksteen heeft oog voor sedimentatie: ‘De zandafzettingen aan de monding van de Marowijne vormen de broedplaats van zeeschildpadden. Gevreesd wordt dat als de stroming in de Tapanhoni en daarmee dus ook in de Marowijne minder wordt, de zandafzettingen aan de monding onvoldoende onderhouden zullen kunnen worden en dat dit op termijn nadelig kan werken op de broedplaatsen voor de schildpadden. De mate waarin het effect van de verminderde stroming zich tot aan de monding van de Marowijne zal voortzetten en of dit de sedimentatie zal beïnvloeden, zal in de ESIA worden onderzocht.’

Volgens de hydroloog zal ook het leven in het water de gevolgen gaan ondervinden van het TapaJai Project. ‘Een parameter die van belang is bij het aquatisch leven is de temperatuur van het water. Tijdens de regenperiode liggen de meeste rotsen in de Tapanahonirivier onder water. Waneer water wordt ontrokken, zullen - afhankelijk van de grootte van de onttrekking - grote delen van de rotsen droog komen te staan. In de droge tijd zullen deze nog meer droog komen te staan. Deze rotsen worden overdag verhit door de zon die op hun beurt het stromend water verwarmen. De verwachting is dat de gemiddelde temperatuur van het water omhoog gaat. Een hoge watertemperatuur heeft weer invloed op het aquatisch leven.’
Naipal wijst met nadruk op de noodzaak van een goed beheer van het stroomgebied, de rivieren. Hij vindt dat dat topprioriteit moet gaan krijgen: ‘River Bassin Management’.
‘Wanneer nu het waterniveau in de benedenloop van de Tapanahonirivier en de Marowijnerivier jaren weg blijft, zullen de nederzettingen ook langzaam maar zeker in de richting van de rivier uitbreiden. Dus in de vroege overstromingsgebieden. Ervan uitgaande dat het Van Blommensteinstuwmeer gebouwd is op basis van de neerslagcijfers van toen - de vijftiger jaren -, betekent dat waneer deze condities weer worden bereikt, er geen water hoeft te worden afgeleid naar het stuwmeer. Met andere woorden, het water van de boven- Tapanahoni zal via de kunstwerken normaal worden afgevoerd in de benedenloop van de rivier. Die hoeveelheid water zal een golf doen ontstaan in de benedenloop van de Tapanahonirivier waarbij de vroegere overstroomde gebieden weer onder water zullen lopen. Maar, inmiddels is op verschillende plaatsen gebouwd en die bebouwing zal onder deze omstandigheden mogelijk ook onder water lopen. Voor zover ik het weet hebben we geen ervaring met ‘River Bassin Management’. Dat moet dan worden geïntroduceerd, mensen moeten worden opgeleid, instrumenten moeten worden geplaatst, de totale technologie moet worden eigengemaakt en het beheer opgezet. Naast het technische moeten ook institutionele zaken worden opgezet - dus de nodige wetten moeten er komen, mogelijk met sancties en/of verzekeringen, etcetera.’

Naipal gaat er vanuit dat met het hydro-energie project de waterstand in de Surinamerivier zal stijgen, maar ook dat er gevaar gaat ontstaan voor Paramaribo.  ‘De snelheid van het water in de rivier zal toenemen en daarmee ook de erosie. De Surinamerivier is de belangrijkste rivier tot nu toe voor Suriname. Aan weerszijden van de rivier wordt flink gebouwd. Of er rekening wordt gehouden met mogelijke zeespiegelstijging of eventuele drastische overstromingen is zeer de vraag. Meer water in de rivier betekent niet alleen meer hogere waterstanden, maar een sterkere meandering (meer lussen in de loop) van de rivier en dus ook gevaar op vele plaatsen voor de bewoners. En dat betekent weer een verhuizing, aanpassing of bescherming. De stad Paramaribo zal vaker het gevaar gaan lopen voor mogelijke overstromingen. Nu, onder de huidige omstandigheden is dat merkbaar, laat staan als er tweehonderd kubieke meters water per seconde extra bijkomen. Let op, ook de benedenloop van de Commewijnerivier gaat hier mee te maken krijgen. Het is niet duidelijk of onder deze omstandigheden ook de schommeling van de getijdestand ongewijzigd blijft.’

Er zijn dus naast voordelen ook uiteenlopende nadelige gevolgen van het project, nadelen voor het milieu, de natuur, de biodiversiteit. Boksteen loopt daar niet voor weg. Hij denkt bijvoorbeeld aan beïnvloeding van de  visstand in de Tapanahonirivier. ‘Doordat veel vissen hun broedplaatsen hebben in de verschillende zijkreken van de Tapanahoni tijdens perioden van hoge waterstand, regentijd, wordt gevreesd dat omleiding van water vanuit de Tapanahoni naar het Brokopondostuwmeer in de regentijd, een zodanige verlaging van de waterstanden in de kreken tot gevolg zal hebben dat de vermenigvuldiging van vissen nadelig wordt beïnvloed. Of dit inderdaad het geval is en in hoeverre dit effect zich zal uitstrekken, moet in de ESIA worden vastgesteld. In ieder geval kan worden gesteld dat het effect van de omleiding van water ter plekke van de Ingipkin Sula steeds minder wordt naarmate men verder stroomafwaarts van de Tapanahoni gaat. Bij de Ingipikin Sula wordt zestig tot tachtig procent van het water omgeleid. Bij de samenvloeiing van de Tapanahoni en de Lawa is dit effect gereduceerd to circa vijftien procent minder water, omdat de verschillende zijkreken benedenstrooms van de dam  de rivier blijven voeden.’

Nauwelijks reacties van natuurbeschermingsorganisaties
Natuurbeschermings- en milieuorganisaties, politieke- en maatschappelijke organisaties zijn opmerkelijk stil. Geluiden van enig verzet tegen het TapaJai Project zijn niet tot nauwelijks te horen. Boksteen verwacht geen grote weerstand. ‘Bij de eerste informatieronde waarbij ook de meeste politieke partijen zijn geinformeerd, is naar voren gekomen dat men wel beseft dat de energieproblematiek opgelost moet worden, maar benadrukt wordt dat het milieu aspect goed onderzocht moet worden. Bij de binnenlandbewoners is een groot ongeloof in toezeggingen van de overheid geconstateerd waar zaken rond de afronding van het Brokopondoproject ook aan ten grondslag liggen. Bij de voorlichting aan de binnenlandbewoners zal benadrukt moeten worden dat het project niet alleen Paramaribo ten goede komt. Begrijpelijkerwijs zullen binnenlandbewoners en hun politieke vertegenwoordigers het project aangrijpen om verbetering in hun achtergestelde positie te bewerkstelligen. Men zal een aantal eisen ingewilligd willen zien, zoals het afdwingen van de oplossing van het grondenrechtenvraagstuk - maar in ieder geval zekerheid dat het project hun eventuele grondenrechten niet aantast - en verbetering van de elektriciteitsvoorziening in het binnenland. Politieke leiders van de binnenlandbewoners zien in ieder geval in dat dit project de voorwaarden zal scheppen om het binnenland uit haar isolement en achtergestelde positie te halen. Derhalve is de verwachting dat het project ook politiek haalbaar is.’
Hij verwacht wel dat vooral buitenlandse natuurbeschermingsorganisaties, vooral die organisaties welke principieel tegen waterkracht zijn en organisaties  of personen die in enge zin streven naar behoud van de traditionele leefwijze van de binnenlandse gemeenschappen, ‘alles in het werk zullen stellen om het project tegen te houden’.

Zeestromen
Sieuwnath Naipal komt nog met een verrassende slotopmerking. Volgens hem is er nog een andere hydrobron om elektriciteit mee op te wekken die het TapaJai Project mogelijk wellicht overbodig zou kunnen maken. ‘Zeestromen. Deze hulpbronis tot nu toe niet goed of helemaal niet onderzocht. Benutting hiervan zal vele malen minder tot zelfs verwaarloosbaar kleine milieuproblemen opleveren. De vraag is waarom hieraan geen aandacht wordt besteed. TapaJai kan altijd nog worden uitgevoerd.‘

Noot:
Dit artikel werd door mij al in maart/april 2012 geschreven voor het tweemaal per jaar verschijnende United Magazine. Het blad is echter met een aanzienlijke vertraging pas in de laatste week van november 2012 verschenen, nummer sept. 2012/feb. 2013.

UPDATE - TapaJai Project van de baan
President Bouterse maakte medio april 2013 niet verder te willen met het project. 

'Het TapaJai hydroproject is voor de regering definitief van de baan. Binnen twee weken zal districtscommissaris (dc) Margaretha Malontie de officiële mededeling van staatshoofd Desi Bouterse overhandigen aan de leiding van de stam der Aucaners. De president deed de toezegging vóór zijn vertrek uit Drietabiki. Veel bewoners uit het gebied zijn fel gekant tegen dit project. Zij vrezen dat de milieuschade enorm zal zijn en hun leven ontwricht zal worden. (...)' Dit berichtte Starnieuws op maandag 22 april 2013.

dinsdag 27 november 2012

Wanneer worden Surinaamse politici volwassen....

Beschamend kinderlijk gedrag tijdens ACP/EU-top in Paramaribo

Onparlementair taalgebruik aan orde van de dag 
Politiek gewin uit een misverstandje

27-11-2012  Door: Paul Kraaijer


Paramaribo – Deze week hebben enkele Surinaamse parlementsleden weer eens getoond hoe onvolwassen ze kunnen reageren en hoe achterdochtig en bevooroordeeld ze kunnen zijn. Terwijl in Paramaribo deze dagen parlementsleden aanwezig zijn uit Afrikaanse-, Caribische- en Pacifische (ACP) landen en van het Europees Parlement voor het bijwonen van- en deelnemen aan afzonderlijke- en gezamenlijke bijeenkomsten, lijken Surinaamse politici uit de coalitie en oppositie de confrontatie te zoeken met Europarlementsleden èn onderling met elkaar.

Het draait allemaal om een bijeenkomst, maandag 26 november 2012, van Europarlementsleden van de zogenoemde EPP-Groep (European People’s Party), de sterkste politieke bundeling in het Europese Parlement, met Assembleden uit de oppositie.

Gesloten deur voor coalitie
De EPP-Group had kenbaar gemaakt graag achter gesloten deuren over enkele Surinaamse issues te praten. ‘We willen graag een open en duidelijke discussie over alle onderwerpen en de situatie in Suriname’, zei EPP-coördinator Michael Gahler. De EPP wilde volgens hem graag weten wat het natraject is geweest van de gewijzigde Amnestiewet eerder dit jaar.
In de EPP-groep zitten vijf Nederlandse politici, waaronder Ria Oomen (CDA) die op dit moment als enig Nederlands Europarlementslid de ACP/EU-top in Paramaribo bijwoont.
Voor de bijeenkomst, aan de vooravond van de 24e (gezamenlijke) ‘ACP-EU Joint Parliamentary Assembly’, waren ook vertegenwoordigers van de ACP uitgenodigd en de EU-ambassadeur voor Suriname, Robert Kopecky.

Toen enkele coalitieleden, Remy Taranadie van de NDP en Martha Djoseparto (Pertjajah Luhur), de bijeenkomst wilden bijwonen, werd de deur echter voor hun neus dichtgegooid, omdat alleen leden van de oppositie welkom waren. Zij wilden de vergadering bijwonen als vervangers van de hoofdorganisator van de ACP/EU-top, NDP’er Rabin Parmessar.

Met het dichtgooien van een deur begon het traditionele Surinaamse politieke gedonder, geschreeuw en gescheld.

Misleidend
Het NDP-Assembleelid André Misiekaba en zijn collega Parmessar lieten weten de uitnodiging van de Europarlementsleden ‘misleidend’ te vinden. In die uitnodiging zou gestaan hebben dat ‘alle ACP-vertegenwoordigers’ aanwezig mochten zijn, en ook coalitieleden in De Nationale Assemblee zijn ACP-vertegenwoordigers.....

De jonge politicus Misiekaba, die er niet vies van  is om ongenuanceerd te zijn in zijn bewoordingen, beweerde dat de ‘actie van de oppositie’ erop wees, dat ‘het succes van de ACP/EU-top toch besmeurd’ moest worden. ‘Men gunt deze regering het succes van de vergadering niet’, was zijn ongefundeerde en welhaast emotionele conclusie. Maar, hij ging verder met zijn achterdocht: de oppositie zou in de vergadering politieke zaken willen bespreken, zonder dat de coalitie gelegenheid zou hebben om haar kant van ‘het verhaal’ te laten horen .
Hij sprak zelfs zijn vermoedens uit dat de oppositie vooral de kwestie rond de dreigbrief met kogelhuls aan de jonge activiste Sharona Lieuw On, van de organisatie Jongeren tegen Amnestie, zou aankaarten om een verkeerd beeld te scheppen van de werkelijke politieke situatie in het land.

Met zijn uitspraken wordt eens te meer duidelijk dat achterdocht en vooroordelen en te snel ingenomen standpunten, oordelen en meningen hoogtij vieren in de Surinaamse politiek. Dat is te betreuren en hiermee wordt bewust, willens en wetens, een min of meer gespannen politieke sfeer gecreëerd. Misiekaba en anderen hadden er ook voor kunnen kiezen en er zeker verstandig aan gedaan, om deze ‘zaak’ in alle rust te bespreken, ook met vertegenwoordigers van de EPP-Group om zekerheid te krijgen over het antwoord op de vraag waar het mogelijk met de uitnodiging voor de bijeenkomst fout zou zijn gegaan of juist niet.

Coalitie ‘niet wijs’
Natuurlijk volgde snel een vinnige reactie van het Nederlandse Europarlementslid Ria Oomen (CDA). Zij vond het ‘niet wijs’ van de coalitie om aanwezig te willen zijn bij de ontmoeting tussen Europarlementsleden van de EPP-Group en leden van de oppositie.
Ze zei dat de coalitie, die vooraf te kennen had gegeven aanwezig te willen zijn, was voorgehouden liever weg te blijven. ‘Omdat er een uitnodiging vanuit de EPP-fractie gegaan was naar de oppositie, lijkt het mij in een goed functionerend parlement ook wijs dat de coalitie dan niet komt’, zo sprak Oomen.

De oppositieleden Ruth Wijdenbosch (NPS) en Radjkoemar Randjietsing (VHP) verklaarden dat de oppositie er geen enkele moeite mee had, als coalitieleden aanwezig zouden zijn geweest. Ze beweerden niet te hebben geweten dat collega’s van de coalitie waren geweigerd.  ‘Met of zonder de coalitie zeggen we toch wat we willen zeggen’, aldus Wijdenbosch.

Alsof Misiekaba al niet genoeg olie op het Surinaamse politieke vuurtje had gegooid, dacht NDP’er Ricardo Panka waarschijnlijk ‘ik zal Misiekaba even overtreffen’ en dat deed hij in gesprek met GFC Nieuws: ‘De inborst van de Nederlandse Europarlementariërs is hypocriet en ze kunnen niet tegen hun verlies. Ze hebben alle moeite gedaan om de gezamenlijke ACP/EU-vergadering niet hier in ons land te doen plaatsvinden, maar het is ze niet gelukt. Daarom blijven ze proberen om ons grote succes te besmeuren.’

‘De Surinaamse oppositieleden en de Nederlandse Europarlementariërs menen geen moer van hun prachtig geschreeuw. Met deze zelfde Europarlementariërs is door de Surinaamse oppositie juist bekokstoofd om de ACP/EU-vergadering hier te boycotten. De oppositie beweert dat ze eensgezind staat achter onze regering en de coalitie, omdat het hier houden van de vergadering een nationale zaak is, maar ze bewezen het tegendeel met hun afwezigheid, afgelopen zaterdag, toen president Desi Bouterse de ACP vergadering officieel opende.’
Niet echt woorden die je verwacht van een politicus. Panka zei verder dat ‘de Nederlandse parlementariërs hypocriet zijn, want ze weten dat ze hier vrij zijn om te doen wat zij willen, juist omdat Suriname een democratisch land is. Een Surinamer zou zich dit echter niet kunnen permitteren in Nederland’.
Overigens blijkt uit de uitspraken van Panka dat hij er geen benul van heeft, dat slechts één Nederlands Europarlementslid deelneemt aan de ACP/EU-top en dat is Ria Ommen.

‘Ik vind het walgelijk en verwerpelijk dat ze steeds proberen om het grote Surinaamse succes te besmeuren, ondanks dar ze niets hebben kunnen doen om het tegen te houden’,aldus Panka.

De opmerkingen van Panka zijn niet serieus te nemen. ‘Walgelijk, ‘verwerpelijk’, ‘hypocriet’, ‘bekokstoofd’ en ‘besmeuren’ zijn zware onparlementaire woorden van een gefrustreerd coalitielid, dat beren op de weg ziet die er niet zijn, voor een onschuldig misverstand bij het opstellen van de uitnodiging voor de bijeenkomst van de EPP-Group en leden van de oppositie.

Het braafste jongetje van De Nationale Assemblee, Carl Breeveld van DOE (Democratie en Ontwikkeling in Eenheid), liet vandaag weten de discussie die is ontstaan rond het gesprek tussen Europarlementariërs en de oppositie, een schandalige te vinden, die niets te maken heeft met Suriname. Op vragen van Europarlementariërs, tijdens de gewraakte bijeenkomst met de oppositie, over de Amnestiewet, reageerdei Breeveld  zelf geen voorstander te zijn geweest van het aanpassen van die wet. ‘Maar ik heb ze erbij gezegd, dat ik het ook niet correct, maar hypocriet vindt, dat de Nederlanders voor 60 jaar hun archieven rond de jaren tachtig gesloten houden. Dan vind ik het hypocriet als je begint te kletsen over amnestie’, zei Breeveld dinsdag 27 november 2012 op Starnieuws. Op zijn opmerkingen heeft hij geen reactie gehad van de aanwezige Europarlementsleden, zo berichtte Starnieuws. Neen Starnieuws, natuurlijk niet, want hetgeen Breeveld aankaartte over de Nederlandse archieven is een Nederlands-Surinaamse kwestie en geen Surinaams-Europese aangelegenheid.

Na Breeveld vond ook de fractie van PALU het nodig om nog even te reageren. De PALU was het niet eens met de opstelling van de oppositie. ‘Het zou getuigen van een nationale instelling als het verzoek was gedaan om alle leden van de Surinaamse ACP-delegatie toe te laten tot de vergadering. En het zou nog meer getuigen van een nationale opstelling dat, wanneer dat niet zo worden gehonoreerd, de Surinaamse oppositieleden uit de vergadering waren gelopen.' De politieke partij stelt dat Suriname zich niet op zo een goedkope manier moet laten verdelen. ‘Door te participeren hebben deze Surinaamse politici zich gedragen alsof Suriname nog steeds in de koloniale tijd zit toen Surinamers zich hebben laten verdelen en heersen, met armoede, sociale ellende en broederstrijd als gevolg.’

Opblazen
In Suriname weet men hoe van een onschuldig mugje een olifant in een porseleinkast te maken. In Suriname weet men iets nietigs op te blazen tot iets gigantisch. Alle perspectieven en oog voor realiteit en nuance worden uit het oog verloren. Niet verbazingwekkend. Het is Suriname. 

Politiek gewin uit een misverstandje
Laat mij tot slot nog een duit in het klaagzakje gooien: ‘Oh, zo worden 'ze' nooit vriendjes......wat een in en in triest kinderlijk gezeur en gejammer..... Politici, wordt toch eens volwassen of op z'n minst, probeer je volwassen te gedragen en te uiten. Verval niet in over en weer gescheld als coalitie en oppositie, terwijl feitelijk de halve wereld meekijkt en -luistert, maar daar staan de heren en dames politici van De Nationale Assemblee niet bij stil. Neen, zij willen alleen maar politiek gewin halen uit een misverstandje.